Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn in 2011 uit elkaar gegaan. Zij sloten in 1994 een samenlevingsovereenkomst waarin werd bepaald dat gemeenschappelijke inboedel en vervoermiddelen ieder voor de helft toebehoren. Tijdens de relatie verkregen zij gezamenlijk eigendom van twee onroerende zaken, een woning en een appartement, gefinancierd met hypothecaire leningen.
In eerste aanleg werd een deskundigenonderzoek gelast en bepaalde de rechtbank dat de gemeenschap moest worden verdeeld waarbij de onroerende zaken aan de vrouw werden toegedeeld onder voorwaarden. De man werd veroordeeld tot betaling van diverse bedragen, waaronder een lening en eigenaarslasten. In hoger beroep vordert de man vernietiging van het vonnis en betaling van een bedrag wegens overbedeling, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelt met diverse vorderingen, waaronder verklaring voor recht dat de verdeling was voltooid en vergoeding van eigenaarslasten.
Het hof oordeelt dat de aandelen in de eenvoudige gemeenschappen gelijk zijn en dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de verdeling al was voltooid. De man is gehouden tot betaling van de lening, en de vrouw heeft aanspraak op vergoeding van eigenaarslasten vanaf november 2013, waarbij gebruiksvergoeding wordt verrekend. De vrouw heeft recht op vergoeding wegens overbedeling van inboedel en auto’s, vastgesteld op €12.500,- plus wettelijke rente. De vordering tot afgifte van fotoboeken en erfstukken wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs dat de man deze nog bezit.
Het hof vernietigt delen van het vonnis van 11 maart 2020 en doet opnieuw recht, bekrachtigt het vonnis van 10 april 2019 en compenseert de kosten in hoger beroep. De man wordt veroordeeld tot betaling van vergoeding wegens overbedeling en eigenaarslasten aan de vrouw.