De huurder [geïntimeerde] huurt sinds 2012 een woning die sinds eind 2020 door [appellant] wordt verhuurd. [Appellant] voerde een renovatie uit en beloofde de huurder terugkeer per 1 januari 2022, maar verhinderde deze door de woning aan derden te verhuren. De voorzieningenrechter veroordeelde [appellant] tot een dagvergoeding van €150 aan [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2022.
In hoger beroep werd het vonnis grotendeels bekrachtigd, maar de dagvergoeding werd gematigd tot €75 per dag. Het hof oordeelde dat [appellant] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen en de huurder schade lijdt doordat hij elders woonruimte moet huren, waarvoor geen passend alternatief is geboden. De verhuurder faalde in communicatie en handelde onrechtmatig door de woning aan derden te verhuren.
De huurder heeft een spoedeisend belang bij de voorziening, gezien zijn kwetsbare financiële en gezondheidspositie en de onzekere woonsituatie. Het beroep van [appellant] op overmacht en schadebeperking faalde. Het hof veroordeelde [appellant] tevens in de proceskosten van het hoger beroep en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.