De veroordeelde heeft een ISD-maatregel opgelegd gekregen die op 16 maart 2021 onherroepelijk werd en op 3 mei 2021 in werking trad. Na een eerste verzoek tot tussentijdse toetsing in november 2021, dat werd afgewezen, diende de veroordeelde op 7 juni 2022 een tweede verzoek in tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van de maatregel.
De rechtbank Rotterdam behandelde dit verzoek inhoudelijk en besloot op 1 juli 2022 tot voortzetting van de ISD-maatregel. De veroordeelde stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens de zitting op 20 oktober 2022 stelde het hof de ontvankelijkheid van dit verzoek aan de orde, omdat het verzoek te vroeg was ingediend volgens artikel 6:6:14, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal stelde dat het verzoek te vroeg was en dat de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Het hof oordeelde dat het verzoek inderdaad binnen zes maanden na de onherroepelijkheid van de vorige beslissing was ingediend, waardoor het niet ontvankelijk was. Het hof vernietigde daarom de beslissing van de rechtbank en verklaarde de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van de ISD-maatregel.