ECLI:NL:GHARL:2023:10226

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 november 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
200.327.288
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek tot opheffing beschermingsbewind wegens onvoldoende zelfbeheer

In deze zaak heeft de kantonrechter het verzoek van verzoeker om het beschermingsbewind op te heffen afgewezen. Verzoeker was onder bewind gesteld vanwege een problematische schuldenpositie en heeft sindsdien een schuldentraject succesvol doorlopen. Hij stelt nu dat hij met hulp van zijn partner in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen weer zelfstandig waar te nemen.

Het hof heeft het verzoek in hoger beroep behandeld en daarbij vastgesteld dat verzoeker niet voldoende bewijs heeft geleverd dat hij zijn financiële zaken zelfstandig kan beheren. Ondanks toezeggingen heeft verzoeker nagelaten relevante informatie en een budgetplan aan te leveren. De nieuwe bewindvoerder, die recent is benoemd, kan nog niet beoordelen of verzoeker zelfstandig kan functioneren en constateert dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van het zelfredzaamheidsplan.

Gelet op het gebrek aan overtuigend bewijs en de verklaringen van de bewindvoerder, concludeert het hof dat het beschermingsbewind moet worden gehandhaafd. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd en het verzoek tot opheffing afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig kan behartigen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.327.288
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10276895)
beschikking van 30 november 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. W. Vahl te Barneveld.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[naam2] ,de zoon van [verzoeker] ,
[naam3] ,
en
[naam4] ,
de ouders van [verzoeker] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 mei 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door zijn echtgenote (aan wie bijzondere toegang is verleend);
- [naam5] , namens bewindvoerderskantoor [naam6] .
Alle overige belanghebbenden zijn – ondanks behoorlijke oproeping – niet verschenen.
2.3
Na de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van [naam6] , met toestemming van het hof, de hierna in 3.3 te noemen beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 augustus 2023, aan het hof gezonden.

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van 7 juni 2018 heeft de kantonrechter een beschermingsbewind ingesteld over de goederen van [verzoeker] .
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 22 december 2022, heeft [verzoeker] verzocht het bewind over zijn goederen op te heffen.
3.3
Bij beschikking van 30 augustus 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, met ingang van 16 september 2023 [naam7] en [naam8] , beiden vennoot van [naam1] , ontslagen als bewindvoerders en met ingang van die datum tot bewindvoerders benoemd: [naam5] en [naam9] , beiden vennoot van [naam6] , [adres] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het beschermingsbewind afgewezen.
4.2
[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende zijn verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toe te wijzen, dan wel de beslissing te nemen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.2
Mr. Vahl heeft namens [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd. Hij verzoekt het bewind op te heffen met ingang van 1 januari 2024. [verzoeker] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de noodzaak van het bewind nog steeds bestaat en zijn verzoek om opheffing vervolgens ten onrechte heeft afgewezen. Het bewind is destijds ingesteld vanwege zijn toenmalige benarde schuldenpositie. Hij heeft het schuldentraject succesvol doorlopen en de bewindsperiode heeft hem bovendien nieuwe vaardigheden en inzichten gegeven, als gevolg waarvan hij nu, met de hulp van zijn partner met wie hij onlangs is getrouwd, in staat is om zijn eigen vermogensrechtelijke belangen weer behoorlijk waar te nemen.
5.3
Het hof is, na eigen onderzoek, net als de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] om het bewind over zijn goederen op te heffen, moet worden afgewezen. [verzoeker] stelt in zijn beroepschrift dat hij, in tegenstelling tot wat [naam1] bij de rechtbank heeft verklaard, wel degelijk in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen weer behoorlijk zelf waar te nemen en om een budgetplan op te stellen. [verzoeker] , dan wel zijn advocaat heeft echter, ondanks de toezegging in het beroepschrift, nagelaten om voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep een compleet procesdossier met alle recente en relevante informatie aan het hof te zenden. Daardoor werd ook pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep duidelijk dat de door de rechtbank benoemde bewindvoerder [naam1] met ingang van 16 september 2023 door de rechtbank is vervangen door bewindvoerderskantoor [naam6] . De vertegenwoordiger van [naam6] heeft ter zitting verklaard dat hij, gelet op de korte periode waarin hij bewindvoerder is, nog niet goed kan beoordelen of [verzoeker] in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen weer behoorlijk zelf waar te nemen. Volgens hem is er nog geen budgetplan opgesteld, maar hij heeft in het kader van een zelfredzaamheidplan, het aan [verzoeker] beschikbaar te stellen maandgeld verhoogd naar € 500,-. [verzoeker] heeft echter niet voldaan aan de voorwaarde dat van genoemd bedrag aan het eind van die maand € 100,- over moest zijn. De verklaring van [verzoeker] dat hij niet aan genoemde voorwaarde kon voldoen omdat hij van het maandbedrag reiskosten aan zijn echtgenote heeft betaald zodat zij hem tijdens zijn verblijf in een revalidatiecentrum kon bezoeken, kan hem niet baten, omdat de bewindvoerder daarop -onweersproken- heeft gesteld dat die reiskosten niet uit het maandbedrag van € 500,- hoefden te worden betaald.
Gelet op al het voorgaande en bij gebrek aan de in het beroepschrift toegezegde nadere informatie is het hof van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen, waaronder het opstellen van een budgetplan, weer behoorlijk zelf waar te nemen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 februari 2023;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 30 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.