Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn ouders van twee minderjarige kinderen die sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) staan en sinds 2020 bij pleegouders verblijven. In 2021 werd een omgangsregeling vastgesteld met twee momenten per maand, waarvan één fysiek en één via videobellen onder begeleiding. In 2023 werd het gezag van de ouders beëindigd en een voogd benoemd.
De moeder verzocht de rechtbank om de omgangsregeling te wijzigen zodat de kinderen eens per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij haar verblijven. De rechtbank wijzigde de regeling slechts beperkt en bepaalde dat de omgang twee keer per maand blijft, met één fysiek moment onder begeleiding en uitbreiding afhankelijk van samenwerking tussen moeder, GI en pleegouders.
De moeder ging in hoger beroep en verzocht om een ruimere omgangsregeling. De GI voerde verweer en benadrukte moeizame communicatie met de moeder, die ook de pleegouders met grof taalgebruik benaderde. Het hof oordeelde dat ondanks de moeizame communicatie de huidige omgangsmomenten goed verlopen en in het belang van de kinderen zijn. Het hof bekrachtigde de beschikking en verlengde het fysieke contactmoment tot anderhalf uur, waarbij de voogd toekomstige uitbreiding kan beoordelen.
De beslissing benadrukt het belang van het hechtingsproces in het pleeggezin en de noodzaak voor de moeder om haar communicatie te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en verlengt het fysieke contactmoment tot anderhalf uur met mogelijkheid tot toekomstige uitbreiding door de voogd.