Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vaststelling van de jaarbeloning van een bewindvoerder centraal. De kantonrechter had de beloning voor 2024 vastgesteld op 0,4% van het vermogen van de rechthebbende, terwijl de bewindvoerder in hoger beroep betoogde dat dit percentage onjuist was omdat het vermogen boven de €1.000.000,- lag en daarom 0,75% moest bedragen.
Het hof oordeelde dat de jaarbeloning inderdaad moet worden vastgesteld op het percentage zoals vermeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, namelijk 0,75% bij een vermogen boven €1.000.000,-. Het hof stelde vast dat het totale door de bewindvoerder te beheren vermogen ongeveer €2.000.000,- bedroeg, inclusief een erfenis van de overleden echtgenote van de rechthebbende.
Hoewel de bewindvoerder ook had verzocht om expliciet te bepalen dat de erfenis tot het beheerde vermogen behoort, verklaarde het hof dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het hof niet het vermogen zelf vaststelt, maar de beloning aan het percentage koppelt van het door de bewindvoerder periodiek over te leggen vermogen. De beschikking van de kantonrechter werd vernietigd en de jaarbeloning opnieuw vastgesteld conform de Regeling beloning.
Uitkomst: De jaarbeloning van de bewindvoerder wordt vastgesteld op 0,75% van het totale beheerde vermogen conform de Regeling beloning.