ECLI:NL:GHARL:2023:10539
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- M.H.F. van Vugt
- R. Prakke-Nieuwenhuizen
- R.E. Brinkman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opzettelijk verzwijgen vordering nalatenschap en verjaring in hoger beroep
In deze civiele zaak staat centraal of appellant zijn schuld aan zijn moeder volledig heeft voldaan en of hij deze schuld opzettelijk heeft verzwegen binnen de nalatenschap. Appellant stelde dat hij de schuld en de rente volledig had afgelost tussen 1995 en 2007, maar het hof concludeert op basis van bankafschriften, belastingaangiften en getuigenverklaringen dat appellant dit niet heeft bewezen.
Het hof weegt de bewijsstukken en getuigenverklaringen, waaronder die van een voormalige medewerker en de belastingadviseur van moeder, en constateert inconsistenties en onbetrouwbaarheid. De belastingaangiften betreffen een vordering op een BV en niet op appellant privé, wat de stelling van appellant ondermijnt. Daarnaast is vastgesteld dat appellant de schuld bewust heeft verzwegen voor de mede-erfgenaam, geïntimeerde.
Op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro leidt opzettelijke verzwijging tot verbeurdverklaring van het aandeel in het goed. Tevens verlengt artikel 3:321 lid 1 BW Pro de verjaringstermijn bij opzettelijke verzwijging, waardoor appellant zich niet op verjaring kan beroepen. Het hof wijst de vorderingen van appellant af, bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt partijen in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van appellant worden afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.