Uitspraak
[appellant],
KFPS,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant voerde schadevergoeding tegen KFPS wegens het nalaten hem in 2003 te informeren over twijfels omtrent de afstamming van de Friese merrie [naam1]. KFPS had na DNA-onderzoek vastgesteld dat de geregistreerde vader niet de werkelijke vader was, wat leidde tot uitschrijving uit het stamboek.
De rechtbank kende appellant een beperkte schadevergoeding toe. Appellant stelde hoger beroep in tegen de omvang van deze vergoeding en de afwijzing van zijn grieven. Het hof oordeelde dat de schadestaatprocedure zich uitsluitend richt op de vaststelling van de schade voortvloeiend uit het niet-informeren in 2003, waarbij ander vermeend laakbaar handelen buiten beschouwing blijft.
Het hof verwierp het betoog van appellant dat hij bij tijdige informatie zou zijn gestopt met fokken of andere keuzes had gemaakt, omdat hij onvoldoende feitelijke onderbouwing leverde. Ook werden diverse schadeposten afgewezen wegens gebrek aan causaliteit met het onrechtmatig handelen van KFPS.
De conclusie is dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer schade heeft geleden dan reeds toegekend. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.