ECLI:NL:HR:2022:853

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
8 juni 2022
Zaaknummer
17/05973
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 196 FwArt. 197 FwArt. 126 FwArt. 245 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtsgevolg niet-betwisting vordering in faillissement en veroordeelt eiseres in cassatiekosten

In deze zaak stond centraal het rechtsgevolg van het niet-betwisten door een gefailleerde koper van een ter verificatie ingediende vordering van de verkoper in het faillissement. De curator had een verweerschrift ingediend en de Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties die aan de basis van het geschil liggen.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten tegen het hof en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van de arresten konden leiden. Er was geen noodzaak tot motivering vanwege het ontbreken van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De curator verzocht tevens om een veroordeling van de cassatieadvocaat in de kosten, omdat deze zich verzette tegen doorhaling van de procedure terwijl eiseres volgens wettelijke bepalingen was opgehouden te bestaan.

De Hoge Raad oordeelde dat geen aanleiding bestond om de cassatieadvocaat persoonlijk in de kosten te veroordelen. Wel veroordeelde de Hoge Raad eiseres in de kosten van het cassatiegeding, inclusief wettelijke rente, conform vaste rechtspraak waarbij ook de nakosten en rente daarover zijn begrepen. De uitspraak bevestigt het belang van het niet-betwisten in faillissementsprocedures en verduidelijkt de kostenveroordeling in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer17/05973
Datum10 juni 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: J.H. van Gelderen,
tegen
P.R. DEKKER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,
kantoorhoudende te Rosmalen,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de curator,
advocaat: A.C. van Schaick.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 2766991\CV EXPL 14-1388 van de rechtbank Limburg van 4 maart 2015;
de arresten in de zaak 200.170.623/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 december 2016 en 19 september 2017.
[eiseres] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De curator heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de curator toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2
De curator heeft in zijn schriftelijke toelichting bepleit dat de cassatieadvocaat van [eiseres] op de voet van art. 245 lid 1 Rv Pro wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daartoe heeft de curator aangevoerd, kort gezegd, dat de cassatieadvocaat van [eiseres] zich heeft verzet tegen doorhaling van de cassatieprocedure en de curator heeft gedwongen tot voortprocederen terwijl [eiseres] ingevolge art. 2:19 lid 6 BW Pro in verbinding met art. 193 lid 1 Fw Pro heeft opgehouden te bestaan.
De Hoge Raad is van oordeel dat er geen aanleiding is om op de voet van art. 245 lid 1 Rv Pro in plaats van [eiseres] haar cassatieadvocaat te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
2.3
De curator heeft in zijn verweerschrift gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten en over de nakosten, indien deze kosten en nakosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest zijn voldaan.
De Hoge Raad zal [eiseres] veroordelen in de kosten van het geding in cassatie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals hierna te bepalen.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. [1] Deze rechtspraak moet aldus worden begrepen dat een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover omvat, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan de in voorkomend geval noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Daarin ziet de Hoge Raad aanleiding de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling te vermelden.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
10 juni 2022.

Voetnoten

1.Zie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, rov. 3.5; HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:335, rov. 3.2.