ECLI:NL:GHARL:2023:10831

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
20 december 2023
Zaaknummer
200.324.908
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Besluit proceskosten bestuursrechtWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen matiging proceskostenvergoeding bij wijziging feitcode verkeersboete

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep gedeeltelijk gegrond verklaarde en de feitcode wijzigde van VB016 naar VA016, maar de proceskostenvergoeding matigde tot €100,-. De kantonrechter vond de wijziging van de feitcode een punt van ondergeschikt belang en matigde de vergoeding principieel vanwege geringe inspanningen.

Het hof oordeelt dat deze matiging onvoldoende is gemotiveerd. De kantonrechter gaf niet inzichtelijk aan welke proceshandelingen achterwege hadden kunnen blijven of waarom een lagere wegingsfactor passend zou zijn. Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat de wijziging van de feitcode aanleiding geeft tot toekenning van een proceskostenvergoeding.

Het hof vernietigt daarom de beslissing over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van €1.703,25 aan de betrokkene. De overige beslissingen van de kantonrechter blijven in stand. Het arrest is gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op 28 december 2023.

Uitkomst: Het hof vernietigt de matiging van de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van €1.703,25 aan de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.908/01
CJIB-nummer
: 242417622
Uitspraak d.d.
: 28 december 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode gewijzigd van VB016 in VA016. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 100,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 december 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De gronden in hoger beroep richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding ter hoogte van € 100,-.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat onder in het in het gelijk worden gesteld, mede is inbegrepen het wijzigen van de feitcode. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 28 april 2020 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De kantonrechter heeft afgeweken van de jurisprudentie, maar het ligt niet op de weg van de rechter om zich uit te laten over de hoogte van de forfaitaire kostenvergoedingen. De officier van justitie had de feitcode eerder moeten wijzigen. Op de zitting van de kantonrechter is door de gemachtigde naar voren gebracht dat de financiële prikkel juist de reden is geweest om de proceskostenvergoeding flink te verhogen, zodat het bestuursorgaan wordt geprikkeld een besluit zorgvuldiger te heroverwegen.
Die prikkel zou dan weer ongedaan worden gemaakt en dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever. Dat dit is gezegd op de zitting, is niet in het proces-verbaal van de zitting weergegeven. Dat is daarom onvolledig en bevat een eenzijdig beeld over procedures in Mulderzaken. Uit het verweerschrift van de advocaat-generaal volgt dat deze ook meent dat de proceskostenvergoeding ten onrechte is gematigd. De advocaat-generaal wordt daarom door de gemachtigde in overweging gegeven een nieuw besluit te nemen waarin de vergoeding juist wordt vastgesteld. Er is ook een taak voor het openbaar ministerie als de voorraden bij de rechterlijke macht oplopen. Het hoger beroep kan worden ingetrokken, als het openbaar ministerie van zijn bevoegdheid gebruik maakt zelfstandig een besluit te herroepen en er daardoor geen geschil meer is.
3. De gemachtigde heeft verder in het beroepschrift nog overige opmerkingen gemaakt ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter. Deze opmerkingen hebben met name betrekking op de overwegingen die de kantonrechter, na de vaststelling van de proceskostenvergoeding in deze zaak, meer in algemene zin en zaaksoverstijgend heeft gemaakt onder het kopje “wetgever is aan zet”. De kantonrechter heeft vanuit diens ervaring met Mulderzaken een signaal willen afgeven richting de wetgever over de naar zijn mening hoge proceskostenvergoedingen in Mulderzaken. Daarvoor heeft hij verschillende argumenten aangedragen. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift een groot aantal opmerkingen gewijd aan deze overwegingen. Het hof zal hier echter niet over oordelen. De reikwijdte van deze procedure is beperkt tot de proceskostenvergoeding die in dit concrete geval, volgens de op dit moment geldende wetgeving en rechtspraak daarover, moet worden toegekend.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking gewijzigd heeft, in zoverre dat de feitcode moet worden gewijzigd van “VB016” in “VA016”. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de proceskostenvergoeding dat op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
€ 1.284,75 vergoed zou moeten worden. Hij is het hier om principiële redenen niet mee eens. De kantonrechter overweegt dat hij aan de samenleving niet kan uitleggen dat de gemachtigde bijna
€ 1.300,- ontvangt, terwijl zijn inspanningen gering zijn. Dit zou eigenlijk in strijd zijn met de geest van de Bpb, omdat de wetgever daarmee een tegemoetkoming in de kosten beoogt en niet een volledige schadevergoeding of verdienmodel. Daar komt bij dat het Bpb in artikel 2, tweede lid, een mogelijkheid biedt om af te wijken van de rechtspraak van dit hof. Als de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, kan het bedrag aan proceskostenvergoeding worden verminderd. Dat is hier het geval, omdat slechts één van de beroepsgronden slaagt en uitsluitend de feitcode wordt gewijzigd. De verkeersboete wordt door de kantonrechter niet vernietigd. Artikel 2, tweede lid, van het Bpb mag slechts worden toegepast als een betrokkene op een punt van ondergeschikt belang gelijk krijgt. De kantonrechter vindt het evident dat de wijziging van de feitcode een punt van ondergeschikt belang is en vermindert de proceskostenvergoeding daarom tot € 100,-.
5. Het hof overweegt als volgt. De betrokkene is met de wijziging van de feitcode in beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Dat betekent - onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) - dat aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
6. Artikel 2, tweede lid, van het Bpb luidt als volgt:
“Indien een partij of een belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd. Het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag kan eveneens worden verminderd indien het beroep bij de bestuursrechter is ingetrokken omdat gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.”
7. Artikel 2, tweede lid, van het Bpb biedt in geval een partij slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, de bevoegdheid om het bedrag, dat op grond van het eerste lid van dit artikel is vastgesteld te verminderen. Het gebruik van deze bevoegdheid moet worden gemotiveerd, in het bijzonder waarom het niet redelijk is dat het volle pond wordt vergoed (vergelijk Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting artikel 2, tweede lid, Bpb, Staatsblad 1993, 763). Daarbij is van belang of een partij met minder proceshandelingen het resultaat had kunnen bereiken (zodat het niet redelijk is om alle proceshandelingen te vergoeden) en/of een lagere wegingsfactor voor de noodzakelijk te achten proceshandelingen kan worden gehanteerd.
8. Het door de kantonrechter aangevoerde argument dat het bij de wijziging van de feitcode zou gaan om een punt van ondergeschikt belang, is niet voldoende redengevend om het bedrag van de proceskostenvergoeding te matigen, nu dit niet inzichtelijk maakt of proceshandelingen (en zo ja welke) achterwege hadden kunnen blijven en/of voor de noodzakelijk te achten proceshandelingen een lagere wegingsfactor zou kunnen worden gehanteerd (vgl. het arrest van het hof van 17 april 2023, ECLI:GHARL:2023:3248). De matiging van de proceskostenvergoeding is in dit geval niet voldoende gemotiveerd.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij op het verzoek om een proceskostenvergoeding is beslist vernietigen en aan de betrokkene de hierna vermelde proceskostenvergoeding toekennen.
10. Aan het indienen van een administratief beroepschrift dient een punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,-. In de fase van het beroep bij de kantonrechter komen het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting voor vergoeding in aanmerking. Hieraan dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt hier € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt in administratief beroep en in beroep bij kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
11. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Hier komen het indienen van een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof, waaraan in totaal twee punten moeten worden toegekend, voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de advocaat-generaal daarom veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1.703,25, namelijk (1,5 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,25).
12. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.703,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.