De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel waarin een alimentatiebedrag van €1.186,- per maand werd vastgesteld voor de dochter, een uitwonende MBO-studente. De vader betwistte de hoogte en de ingangsdatum van de alimentatie.
Het hof oordeelt dat de alimentatie moet ingaan vanaf 23 december 2022, de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de vader pas toen op de hoogte kon zijn van de procedure. De behoefte van de dochter is vastgesteld aan de hand van de WSF-norm voor uitwonende MBO-studenten, verminderd met een redelijke eigen inkomstenbijdrage van €200,- per maand en een redelijke bijdrage van de moeder van €100,- per maand.
De behoefte komt daarmee uit op €569,31 per maand. Vanaf 1 september 2023 is de situatie van de dochter gewijzigd doordat zij is gaan samenwonen met haar partner en zij is 21 jaar geworden, waardoor de alimentatieplicht vervalt. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt de alimentatie vast voor de periode van 23 december 2022 tot 31 augustus 2023. Proceskosten worden gecompenseerd, elk draagt eigen kosten.