Na meer dan tien jaar ondertoezichtstelling en wisseling van drie gecertificeerde instellingen is er nog steeds geen duidelijkheid over het toekomstperspectief van de uithuisgeplaatste minderjarige. De moeder en de GI verschillen van mening over de invulling van het perspectiefonderzoek, waarbij het hof benadrukt dat het onderzoek moet focussen op de vraag of de minderjarige bij de moeder kan wonen, niet op wat het beste is voor de minderjarige.
De minderjarige woont sinds 2020 bij gezinshuisouders en heeft een stabiele omgangsregeling met zijn moeder. De GI acht verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk om het perspectief zorgvuldig te onderzoeken. Het hof onderschrijft dit en wijst op het belang van stabiliteit tijdens het onderzoek.
Het hof constateert dat door onenigheid tussen moeder en GI over de uitvoering van het perspectiefonderzoek kostbare tijd verloren gaat, wat het belang van de minderjarige schaadt. Daarom geeft het hof de GI duidelijke aanwijzingen over de onderzoeksvragen en de uitvoering, met de oproep om het onderzoek zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden.
Gezien de intensiteit van het onderzoek acht het hof afronding voor het einde van de huidige machtiging op 24 maart 2024 onrealistisch en ziet geen aanleiding voor verkorting van de duur van de uithuisplaatsing. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd.