Belanghebbende is eigenaar van een etagewoning gebouwd in 1978 met een inhoud van 182 m3. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €124.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Tijdens de zitting op 11 januari 2023 lichtte de gemachtigde van belanghebbende zijn standpunt toe en beperkte het geschil tot de WOZ-waarde van de woning. De heffingsambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een waardematrix opgesteld door een gediplomeerd taxateur, waarbij vergelijkbare woningen in dezelfde straat als referentieobjecten werden gebruikt. Hierbij werd rekening gehouden met factoren als kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging.
Het hof oordeelde dat de gehanteerde referentieobjecten goed vergelijkbaar zijn en dat de taxatiematrix voldoende steun biedt aan de vastgestelde waarde. De verkoop van de woning in september 2021 voor €220.000, hoewel na de waardepeildatum, ondersteunt eveneens dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten, aangezien geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.