Uitspraak
verzoekster,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige die sinds mei 2022 bij de moeder verblijft. Eerder was de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld met een contactregeling voor de moeder. De minderjarige is meerdere malen onder toezicht gesteld en er zijn ernstige zorgen over haar psychisch welzijn.
De moeder verzocht in hoger beroep om voorlopige toevertrouwing van het kind aan haar toe te wijzen, terwijl zij hetzelfde verzoek reeds in kort geding had gedaan en dat was afgewezen. Het hof oordeelt dat het opnieuw indienen van hetzelfde verzoek in strijd is met de goede procesorde en wijst het verzoek af.
De brief van de minderjarige waarin zij uitdrukt bij haar moeder te willen blijven en angst voor de vader uit, wordt meegewogen, maar het hof ziet geen aanleiding tot wijziging van de verblijfplaats. Er is sprake van een loyaliteitsconflict en wisselende beschuldigingen richting beide ouders. Er is hulpverlening gestart en contactherstel wordt onder regie van de gezinsvoogd voorbereid.
Het verzoek van de vader om inschrijving van de minderjarige in de BRP op zijn adres wordt eveneens afgewezen omdat het hof niet bevoegd is in te grijpen in gemeentelijke regelgeving omtrent inschrijving. Financiële gevolgen van verblijfsoverstijgende kosten dienen ouders onderling te verrekenen.
Het hof wijst beide verzoeken af en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van de rechtbank en voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot voorlopige toevertrouwing en het verzoek van de vader tot inschrijving in de BRP af.