Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige heeft verleend. De moeder, afkomstig uit Oekraïne, betwistte aanvankelijk de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar trok haar beroep tegen de ondertoezichtstelling in en nuanceerde haar verzoek omtrent de uithuisplaatsing.
De moeder erkent dat de uithuisplaatsing aanvankelijk noodzakelijk was vanwege haar psychische problemen en het wegvallen van de grootouder als verzorger. Zij stelt dat haar situatie inmiddels stabiel is en zij in staat is om voor haar dochter te zorgen. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) voeren verweer en benadrukken de noodzaak van voortzetting van de uithuisplaatsing vanwege trauma’s, gedragsproblemen en vermoedelijke verwaarlozing.
Het hof oordeelt dat het verblijf bij de pleegouders noodzakelijk blijft, gelet op de onveilige hechting, traumatische ervaringen en onvoldoende opvoedingsvaardigheden van de moeder. Het hof benadrukt dat eerst onderzoek moet plaatsvinden naar de opvoedingsvaardigheden en dat terugplaatsing alleen mogelijk is met extra begeleiding. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom bekrachtigd tot 19 oktober 2023.