Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven van [appellante]
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde1] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de verdeling van de nalatenschap van een overleden moeder, waarbij een testamentair bewind is ingesteld over het erfdeel van een minderjarige erfgenaam. De erfgenamen zijn de executeur, de broer en zus van de overledene, en de zoon van een vooroverleden zus. De minderjarige erfgenaam heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en staat onder bewind tot zijn 23e jaar.
De vader van de minderjarige heeft namens hem een rechtsvordering tot verdeling van de nalatenschap ingesteld. De executeur stelde in reconventie ook een vordering tot verdeling in. De rechtbank gaf een bewijsopdracht en stelde de wijze van verdeling vast. In hoger beroep wenst de executeur dat het hof de vonnissen vernietigt en haar vordering alsnog toewijst.
Het hof stelt vast dat de minderjarige erfgenaam niet zelf bevoegd is om te procederen over het erfdeel dat onder bewind staat, noch was zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe bevoegd. De bewindvoerder is bevoegd tot vertegenwoordiging in gedingen over het bewind. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van de minderjarige en daarmee ook van de executeur in haar vordering tegen hem. Daarnaast is de procedure in reconventie processueel ondeelbaar, terwijl niet alle erfgenamen zijn betrokken.
Het hof houdt verdere beslissing aan en geeft partijen gelegenheid zich uit te laten over deze procesrechtelijke kwesties. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 maart 2023.
Uitkomst: Het hof verklaart de minderjarige erfgenaam en de executeur niet-ontvankelijk in hoger beroep en houdt verdere beslissing aan.