ECLI:NL:GHARL:2023:1947

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
7 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.307.135
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3 WahvArt. 24 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren voor op/afrit gehandicapten

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een sanctie van €140,- opgelegd voor het parkeren van een voertuig op een wijze die gevaar of hinder op de weg zou veroorzaken, specifiek voor een op/afrit bestemd voor gehandicapten. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.

Het hof constateerde dat de kantonrechter niet had gereageerd op de klacht over de motivering van de beslissing van de officier van justitie, die een motiveringsgebrek vertoonde. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen die beslissing gegrond.

Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de inleidende beschikking. Het hof oordeelde dat het parkeren voor een op/afrit voor gehandicapten geen gelijkstelling is met parkeren voor een in- of uitrit en dat het parkeren zodanig was dat gehandicapten de op/afrit niet konden gebruiken, waardoor het verkeer werd gehinderd. De betrokkene's argumenten werden verworpen en het beroep tegen de inleidende beschikking werd ongegrond verklaard.

Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en bevestigt de sanctie van €140,- wegens hinderlijk parkeren voor een op/afrit voor gehandicapten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.135/01
CJIB-nummer
: 236346573
Uitspraak d.d.
: 7 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 15 november 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter de klacht over de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet heeft besproken.
2. De klacht treft doel. Het hof stelt daartoe vast dat de betrokkene in administratief beroep onder meer heeft aangevoerd dat er ten hoogste sprake was van parkeren voor een uitrit, hetgeen een speciale overtreding oplevert. Ook stelt het hof vast dat uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet blijkt dat en waarom deze grond geen doel treft. In zoverre lijdt de beslissing van de officier van justitie aan een motiveringsgebrek. Met de betrokkene constateert het hof dat de kantonrechter dit niet heeft onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen.
3. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 augustus 2020 om 16:26 uur op de Le Sage Ten Broeklaan in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De betrokkene voert aan dat geen sprake was van gevaar of hinder in de zin van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Binnen enkele meters van de afrit waar het voertuig van de betrokkene stond, bevinden zich nog twee afritten, die zelfs veel breder zijn, zodat er alternatieven voor handen waren. De betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn standpunt foto’s overgelegd. Voorts voert de betrokkene aan dat hem een boete is opgelegd op grond van het algemene artikel 5 van Pro de WVW 1994, terwijl er een speciale delictsomschrijving is, te weten parkeren voor een in- of uitrit, waarin ook al een mate van hinder is verdisconteerd. De betrokkene wijst in dit kader op de arresten van het hof ECLI:NL:GHARL:2020:1782, en ECLI:NL:GHARL:2017:6066.
6. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994:
''Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.''
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. Bij de stukken van het geding bevindt zich een kopie van het brondocument (de aankondiging van beschikking). Dit bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring van de ambtenaar:
"Ik zag het betrokken voertuig geparkeerd staan voor een op/afrit voor gehandicapten (…)."
Voorts is een aantal foto's bijgevoegd waarop het voertuig met voormeld kenteken is te zien.
9. Voorts heeft de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal van 22 oktober 2022 nog het volgende verklaard:
"(…). Het verweer van de betrokkene is niet terecht omdat deze op/afrit speciaal is gemaakt voor gehandicapten. Het gevaar ontstaat juist als gehandicapten moeten uitwijken naar een andere op/afrit die is bedoeld voor de ondergrondse parkeergarage voor motorvoertuigen."
10. Naar het oordeel van het hof is op de locatie waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd geen sprake van een in- of uitrit in de zin van artikel 24 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Op de foto's van de betrokkene is niets te zien waardoor voor verkeersdeelnemers herkenbaar zou moeten zijn dat daarvan sprake was. Ook uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt hiervan niet. Integendeel, uit de verklaringen van de ambtenaar en de foto's moet worden afgeleid dat het voertuig van de betrokkene voor een op/afrit stond, die speciaal was gecreëerd ten behoeve van gehandicapten en wel zodanig dat gehandicapten daardoor geen gebruik konden maken van die op- of afrit. Daaruit volgt dat door het op deze wijze van het plaatsen op het voertuig verkeer op de weg kon worden gehinderd. Dat er niet ver van deze pleeglocatie andere op/afritten waren, doet daar niet aan af. De ambtenaar heeft derhalve terecht een sanctie opgelegd voor de gedraging "handelen in strijd met artikel 5 van Pro de WVW 1994".
11. De gronden van de betrokkene tegen de inleidende beschikking treffen geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.