In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2021 beoordeeld betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €1.044.311,19 en de betaling aan de Staat op €1.031.441,19. De advocaat-generaal vorderde een hoger bedrag, maar het hof vernietigde het betalingsbedrag en stelde dit vast op €1.026.411,19.
De raadsman van betrokkene voerde aan dat het voordeel nihil of veel lager moest zijn vanwege een kortere ontnemingsperiode en beperkte verdiensten. Ook werd een verlaging van de terugbetalingsverplichting gevraagd wegens termijnoverschrijding en gezondheidsproblemen van betrokkene. Het hof oordeelde dat de berekening van de rechtbank juist was en matigde alleen het bedrag met 10%, gemaximeerd op €5.000,-, vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Verder werd rekening gehouden met een verbeurd verklaarde auto van €12.900,- die in mindering werd gebracht. Het hof zag geen reden om het bedrag verder te verlagen op grond van persoonlijke omstandigheden, maar liet ruimte voor toekomstige beoordeling van draagkracht in de executiefase.
De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen. Voor het overige bevestigde het hof de beslissing van de rechtbank. Het arrest werd uitgesproken op 8 maart 2023 door een meervoudige kamer van het hof te Leeuwarden.