ECLI:NL:GHARL:2023:2174

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
14 maart 2023
Zaaknummer
GEMW 200.315.144/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154b GemeentewetArt. 8 lid 1 Afvalstoffenverordening 2009Art. 6 EVRMArt. 5:9 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor verkeerd aanbieden afval ondanks uitbesteding aan derde

Eiser werd een bestuurlijke boete van €100 opgelegd wegens het verkeerd aanbieden van afval op 28 juni 2021 in Amsterdam. Hij stelde dat hij vanwege zijn chronische ziekte niet zelf de overtreding kon begaan en dat de taak was uitbesteed aan thuiszorgmedewerkers. Ook voerde hij aan dat het bewijsvermoeden tegen hem in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro en dat hij niet op begrijpelijke wijze was geïnformeerd over de overtreding.

De kantonrechter wees het beroep van eiser af, ondanks dat verweerder geen verweerschrift had ingediend. Het hof bevestigt deze beslissing en verbetert de motivering. Het hof overweegt dat het bewijsvermoeden dat de persoon aan wie het afval kan worden herleid ook de overtreder is, geldt tenzij deze persoon aannemelijk maakt dat hij niet de overtreder is. Uitbesteding aan een derde ontslaat eiser niet van zijn verantwoordelijkheid.

Het hof oordeelt dat het bewijsvermoeden niet in strijd is met het EVRM en dat eiser onvoldoende feiten heeft aangevoerd om het vermoeden te ontzenuwen. De omschrijving van de overtreding in de beschikking voldoet aan de wettelijke eisen. De beroepsgronden van eiser worden afgewezen en de boete wordt gehandhaafd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de bestuurlijke boete van €100 voor het verkeerd aanbieden van afval ondanks uitbesteding aan een derde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.315.144/01
Uitspraak d.d.
: 14 maart 2023
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2022, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer1] .

Het verloop van de procedure

Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Verweerder heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bestuurlijke boete bedraagt € 100,- en is opgelegd voor overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009, hierna: de Afvalstoffenverordening). De overtreding zou zijn begaan op 28 juni 2021 op de [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer2] in Amsterdam.
2. Eiser vraagt zich af hoe de kantonrechter in zijn nadeel vonnis heeft kunnen wijzen terwijl verweerder bij de rechtbank geen verweerschrift heeft ingediend en hij het dus kennelijk roerend met eiser eens was. Eiser voert verder aan dat de kantonrechter een aantal van zijn beroepsgronden over het hoofd heeft gezien. Zo had eiser aangevoerd dat hij niet de overtreder kan zijn, omdat hij vanwege zijn chronische ziekte niet in staat is deze overtreding te begaan. Ook op eiseres stelling dat het door de Raad van State geconstrueerde ‘vermoeden van schuld’ in strijd is met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is niet gerespondeerd. Daarnaast heeft eiser geen antwoord gekregen op zijn argument dat de huidige afvalinzamelingsmethode resulteert in mensenrechtenschendingen. Tot slot betoogt eiser dat met de vermelding ‘Gebod BS004 gebruik inzamelmiddel huishoud’ niet is voldaan aan het vereiste dat een verdachte op begrijpelijke wijze op de hoogte wordt gesteld van de aard van de overtreding.
3. Eisers stelling dat de kantonrechter hem niet in het ongelijk mocht stellen omdat er geen verweerschrift is ingediend, vindt geen steun in het recht. Overigens kan uit de omstandigheid dat in de kantonfase geen schriftelijk verweer is gevoerd niet worden afgeleid dat verweerder zich kon vinden in het standpunt van eiser.
4. De klacht van eiser dat de kantonrechter op een aantal beroepsgronden niet heeft gerespondeerd, treft gedeeltelijk doel. Aan eisers klachten over de wijze waarop de gemeentelijke afvalinzameling is geregeld, kon de kantonrechter voorbij gaan. In de onderhavige procedure ligt alleen de aan eiser opgelegde boete ter beoordeling voor. Het hof zal de daartegen gerichte gronden, voor zover eiser klaagt over het achterwege blijven van een beoordeling daarvan, alsnog beoordelen.
5. In de eerste plaats heeft eiser gesteld dat hij de overtreding niet kan hebben begaan. Vanwege zijn gezondheidstoestand is eiser niet in staat zelf zijn huisafval af te voeren. Medewerkers van de thuiszorg hebben deze taak op zich genomen. Kennelijk heeft één van hen een kartonnen doos van eiser meegenomen en deze op straat achtergelaten omdat de inzamelvoorziening ontoegankelijk was.
6. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak uitgangspunt is dat in de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Naast de fysieke overtreder kan onder omstandigheden ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling wel is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 november 2015, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:RVS:2015:3447).
7. Niet ter discussie staat dat op de hiervoor vermelde datum, tijd en locatie van eiser afkomstig afval op straat is aangetroffen buiten de daarvoor bestemde inzamelvoorziening. Het hof wil aannemen dat eiser het afvoeren van zijn afval aan een derde heeft uitbesteed. Dat ontslaat hem echter niet van de verantwoordelijkheid zijn afval op de voorgeschreven wijze aan te bieden. Voor zover niet eiser zelf, maar een thuiszorgmedewerker eisers afval op straat heeft achtergelaten, kan die overtreding daarom aan eiser worden toegerekend.
8. Het hof begrijpt dat eisers stelling dat het in de rechtspraak gehanteerde bewijsvermoeden in strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM met name ziet op de onschuldpresumptie. Het vermoeden van onschuld staat in de weg aan een omkering van de bewijslast, maar gaat niet zo ver dat het toepassen van elk bewijsvermoeden ongeoorloofd is (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2013:63). Vaststaande feiten en omstandigheden kunnen het zo waarschijnlijk maken dat een overtreding is begaan, dat van de als overtreder aangemerkte persoon redelijkerwijs een verklaring mag worden verlangd. Blijft die uit, dan kan op die feiten en omstandigheden de vaststelling worden gebaseerd dat de overtreding is begaan. Dat is anders wanneer de als overtreder aangemerkte persoon het bewijsvermoeden ontzenuwt door objectieve feiten en omstandigheden aan te dragen die twijfel doen ontstaan aan de aanname die op basis van het bewijsvermoeden is gedaan. Eiser heeft dat niet gedaan.
9. Eisers klacht dat hij niet op begrijpelijke wijze van de aard van de overtreding op de hoogte is gesteld, slaagt niet. Met de vermelding ‘Gebod gebruik inzamelmiddel huishoud’, in combinatie met een datum, locatie en vermelding van de overtreden bepaling (artikel 8, lid 1, ASV), is voldaan aan het vereiste van artikel 5:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dat in de beschikking de overtreding en het overtreden voorschrift zijn opgenomen. Voor zover de omschrijving niettemin vragen opriep, stond het eiser vrij bij verweerder een nadere toelichting te vragen.
10. De beroepsgronden tegen de opgelegde boete treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen, waarbij de gronden van die beslissing worden verbeterd vanwege het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.