AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij samenhangende bestuurszaken afgewezen
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de proceskostenvergoeding van de officier van justitie ongegrond verklaarde. Het hof oordeelde dat de kantonrechter de gemachtigde niet behoorlijk had opgeroepen, waardoor het appelverbod buiten toepassing werd gelaten en het hoger beroep ontvankelijk was.
De betrokkene had een sanctie van €95,- gekregen voor fout parkeren langs een gele onderbroken streep. De gemachtigde voerde aan dat sprake was van een voortgezette handeling en dat de zaken ten onrechte als samenhangend waren aangemerkt, wat invloed had op de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Het hof stelde vast dat de officier van justitie onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van samenhangende zaken. De beslissing van de officier van justitie werd daarom vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Het hof kende een proceskostenvergoeding toe van €699,88, waarbij rekening werd gehouden met reeds toegekende bedragen.
De beslissing van de kantonrechter werd eveneens vernietigd en het hof deed wat de kantonrechter had moeten doen, namelijk het beroep tegen de proceskostenvergoeding beoordelen. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot het betalen van de proceskostenvergoeding aan de betrokkene.
Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere beslissingen en kent een proceskostenvergoeding van €699,88 toe aan de betrokkene.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.306.462/01
CJIB-nummer
: 235650808
Uitspraak d.d.
: 16 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 7 december 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 31 augustus 2022 is nog een e-mailbericht van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Daarin wordt verzocht de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De beoordeling
1. Het hof overweegt allereerst dat aan het verzoek van de gemachtigde om de zaak op een zitting van het hof te behandelen geen gevolg wordt gegeven, nu het zittingsverzoek gelet op het bepaalde in artikel 20a, eerste lid, van de Wahv niet tijdig is gedaan.
2. Artikel 14 vanPro de Wahv - zoals deze bepaling luidde ten tijde van de uitspraak van de kantonrechter - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
3. Van geen van deze situaties is hier sprake. De inleidende beschikking is door de officier van justitie vernietigd in de fase van het administratief beroep. De kantonrechter heeft beslist op het beroep tegen de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de kantonrechter op het beroep heeft beslist zonder de gemachtigde uit te nodigen voor een zitting. De beslissing van de kantonrechter dient om die reden te worden vernietigd.
5. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 29 oktober 2021, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 december 2021. Niet blijkt dat deze daadwerkelijk, al dan niet aangetekend, is verzonden. De gemachtigde van de betrokkene is dus niet behoorlijk opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het appelverbod zal buiten toepassing worden gelaten en het hoger beroep is ontvankelijk.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: het parkeren van zijn voertuig langs een gele onderbroken streep op 8 augustus 2020 om 12:26 uur op de Erlecomsterdam (tegenover Oortjeshekken) in Ooij.
8. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in deze zaak een beroepschrift heeft ingediend waarin het CJIB-nummer, de naam van de betrokkene en zijn verklaring worden vermeld, te weten dat hij zijn auto heeft geparkeerd langs een gele onderbroken streep, dat het terecht is dat hij daarvoor een boete krijgt maar dat het niet terecht is dat hij daarvoor twee boetes krijgt. Verder wordt het CJIB-nummer vermeld van de zaak waarin om 11.25 uur ook een boete is ontvangen en wordt aangevoerd dat sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 vanPro het Wetboek van Strafrecht dan wel schending van het ne bis in idem-beginsel. Verder verzoekt de gemachtigde om te worden gehoord en om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
9. Het betreft hier op deze zaak toegespitste gronden.
10. De officier van justitie heeft op 12 november 2020 op het beroep beslist. Bij die beslissing is de inleidende beschikking vernietigd om reden dat uit de beschikbare informatie blijkt dat er sprake is van één gedraging. Op 16 november 2020 heeft de officier van justitie de gemachtigde meegedeeld dat een vergoeding voor verleende rechtsbijstand wordt toegekend van € 393,75. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het beroep bij de officier van justitie, wegingsfactor 0,5, samenhangende zaken, 4 zaken of meer, factor 1,5. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) met 22 andere in die beslissing genoemde zaken.
11. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 vanPro het Bpb in dit geval geen sprake is. Van (nagenoeg) identieke werkzaamheden van de gemachtigde is sprake wanneer de behandeling van meer dan één zaak voor hem geen reële extra inspanning hoefde te vergen (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:390 en ECLI:NL:GHARL:2018:9133). Anders dan in eerstgenoemd arrest stelt de gemachtigde altijd meteen een beroepschrift op dat ziet op de omstandigheden van het geval. De beroepen zijn op verschillende data ingediend, namens verschillende betrokkenen, betreffen verschillende locaties, feitcodes en rechtsvragen. Inhoudelijk is veelal sprake van een afwijkend feitencomplex en de toelichting van de betrokkenen en de verweren zijn ook sterk afwijkend. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter de administratief beroepschriften in de andere 22 zaken overgelegd en een en ander samengevat in een tabel.
12. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van de proceskostenvergoeding samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
13. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb bepaalt dat ‘samenhangende zaken’ zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
14. Met betrekking tot de vraag of de werkzaamheden van de gemachtigde in alle zaken identiek of nagenoeg identiek konden zijn geweest, merkt het hof het volgende op.
15. Het is aan de officier van justitie om, als hij samenhang met andere zaken heeft aangenomen, voldoende informatie te leveren om te kunnen vaststellen dat er sprake is van samenhangende zaken. De officier van justitie noch de advocaat-generaal heeft stukken overgelegd die betrekking hebben op de andere 22 zaken. Al gelet hierop is de conclusie dat de officier van justitie ten onrechte samenhang van de onderhavige zaak met de 22 andere in zijn beslissing 16 november 2020 genoemde zaken heeft aangenomen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding is toegekend, rekening houdende met de samenhang met de 22 andere zaken, gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en in de onderhavige zaak een vergoeding toekennen voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
16. De gemachtigde voert verder aan dat er voldoende reden bestaat om de kostenvergoeding hoger vast te stellen dan normaal, nu het Parket CVOM wist en had kunnen weten dat het als samenhangende zaken aanmerken van de beroepen geen stand zou houden. Hij wijst daarbij op het
17. Aan de enkele omstandigheid dat de officier van justitie bij het beslissen op het administratief beroep had moeten onderkennen dat de zaken niet als samenhangend zijn aan te merken, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de officier van justitie een verwijt kan worden gemaakt dat ertoe moet leiden dat een hogere wegingsfactor moet worden toegepast dan gebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 15 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7118, ov. 20).
18. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt voor de fase van het administratief beroep de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Voor de fase van het beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep, welke procedures slechts betrekking hebben op de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, zal het hof de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toepassen. Op de proceskostenvergoeding zal het hof in mindering brengen het bedrag dat de officier van justitie reeds voor deze zaak als proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 699,88 (= ((1 x € 597,- x 0,5) + (2 x € 837,- x 0,25)) – (€ 393,75: 23).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie van 16 november 2020, voor zover daarbij in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding is toegekend;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 699,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.