ECLI:NL:GHARL:2023:2904

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
200.316.089
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 219 TBWArt. 220 TBWArt. 225 TBWArt. 231 TBWArt. 236 TBW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling Turks huwelijksvermogensregime bij echtscheiding met verwervingsdeelneming

Partijen zijn in 2017 gescheiden. De vrouw stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland inzake de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning.

Het hof oordeelt dat het Turkse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 2003 tot 2015 en het Nederlandse recht vanaf 2015. De woning was tijdens het huwelijk aan de vrouw toegewezen en valt onder het regime van verwervingsdeelneming volgens het Turks Burgerlijk Wetboek. De woning behoort volledig tot de verwervingen van de vrouw, verminderd met de hypothecaire schuld.

De nettowaarde van de woning bedraagt €93.161,24, waarvan de man recht heeft op de helft. De vordering van de vrouw dat zij 75% zou krijgen faalt. Ook haar grief dat zij geen dwangsommen heeft verbeurd wordt verworpen omdat onvoldoende informatie is verstrekt en verjaring niet betekent dat dwangsommen niet zijn verbeurd.

Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Elke partij draagt de eigen kosten vanwege de aard van de zaak.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de vrouw af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.316.089
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 520107
arrest van 4 april 2023
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: de vrouw
advocaat: mr. P.G.M. Vlaar
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: de man
advocaat: mr. T. Esen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 8 juni 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de referteverklaring van de man

2.De kern van de zaak

2.1.
Het huwelijk van partijen is [in] 2017 door echtscheiding ontbonden.
2.2.
Beide partijen hebben bij de rechtbank vorderingen tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) gelast en voor het overige de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld (vonnis 8 juni 2022). De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof (1) anders dan de rechtbank zal bepalen dat van de opbrengst van de woning van € 93.161,24 75% aan de vrouw toekomt en 25% aan de man en (2) voor recht verklaart dat de vrouw geen dwangsommen heeft verbeurd vanwege de uitspraken tussen partijen van 16 februari 2021 of van 8 juni 2021. De man refereert zich aan het oordeel van het hof.

3.Het oordeel van het hof

grief 1: verdeling opbrengst woning
3.1.
In hoger beroep is onbestreden dat het Turkse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen in de periode van 17 januari 2003 (datum huwelijk van partijen) tot 1 januari 2015 en het Nederlandse recht vanaf 1 januari 2015. Er is sprake van het zogeheten wagonstelsel en houdt in dat meerdere huwelijksvermogensregimes na elkaar van toepassing zijn.
3.2.
De vrouw was voor het huwelijk met de man gerechtigd tot de onverdeelde helft van de woning; de woning is op 19 oktober 2005 aan haar toegedeeld. Op de woning is afdeling 2 van titel 4 van Boek 2 van het Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) van toepassing. In die afdeling is het regime van verwervingsdeelneming geregeld.
3.3.
Het regime kent een onderscheid tussen verwervingen en persoonlijk vermogen. Verwervingen zijn vermogensbestanddelen die iedere echtgenoot gedurende dit huwelijksvermogensregime onder bezwarende titel (tegen een tegenprestatie) heeft verkregen (artikel 219 TBW Pro); tot het persoonlijk vermogen behoren vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksvermogensregime aan een van de echtgenoten toebehoren (artikel 220 TBW Pro).
3.4.
Het huwelijksvermogensregime van verwervingsdeelneming eindigt door de aanvaarding van een ander huwelijksvermogensregime (artikel 225 TBW Pro). In dit geval is dat op 1 januari 2015. Iedere echtgenoot heeft recht op de helft van de nettowaarde van de verwervingen van de andere echtgenoot (artikel 236 TBW Pro). De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk van de echtgenoten, met inbegrip van de waarden die zijn verkregen uit de toevoegingen en verrekeningen, is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (artikel 231 TBW Pro).
3.5.
Het hof leidt uit de stellingen van de vrouw af dat alleen de woning en de hypotheekschuld meedoen bij de afwikkeling of vereffening van het regime van verwervingsdeelneming. De woning is op 19 oktober 2005 (dus tijdens het huwelijk van de man en de vrouw) tussen de vrouw en haar eerdere echtgenoot verdeeld en daarbij aan de vrouw toegedeeld. Die toedeling is gefinancierd met (de overname van) een hypothecaire geldlening van € 170.000 waarop tijdens het bestaan van het regime van verwervingsdeelneming nooit is afgelost. Verdeling is de rechtshandeling waarbij de deelgenoten vaststellen dat in het vervolg aan een van hen het gemeenschappelijke goed geheel toekomt met uitsluiting van de ander. De vrouw heeft aldus de woning onder bezwarende titel in het geheel en niet slechts voor de (onverdeelde) helft verkregen bij de verdeling op 19 oktober 2005. De woning hoort dan ook voor het geheel tot haar verwervingen en niet zoals de vrouw stelt voor de helft; de hypothecaire geldlening strekt daarop in mindering. De nettowaarde van de verwervingen van de vrouw is dan de opbrengst van de woning bij verkoop en levering aan een derde van € 270.000 verminderd met de aflossing van de schuld uit hypothecaire geldlening en de kosten verbonden aan die levering. Dat is een bedrag van € 93.161,24. De man heeft recht op de helft daarvan (artikel 236 TBW Pro) en niet zoals de vrouw stelt 25%. Grief 1 van de vrouw faalt.
grief 2: dwangsommen verbeurd?
3.6.
De rechtbank heeft de vordering van de vrouw om voor recht te verklaren dat de vrouw geen dwangsommen heeft verbeurd aan de man afgewezen, omdat zij onvoldoende informatie van partijen heeft gekregen om daarover te beslissen. De vrouw verschaft in dit hoger beroep geen nieuwe relevante informatie, maar stelt dat de rechtsvordering van de man om deze dwangsommen te innen is verjaard. Daarop is ook haar grief 2 gebaseerd. Ook als de rechtsvordering is verjaard, kan het hof de gevraagde verklaring voor recht dat de vrouw aan de man geen dwangsommen heeft verbeurd niet toewijzen. Dat de rechtsvordering is verjaard, betekent immers nog niet dat de vrouw de dwangsommen niet heeft verbeurd. Grief 2 van de vrouw faalt.
De conclusie
3.7.
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal het vonnis van 8 juni 2022 van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigen en het meer gevorderde afwijzen.
3.8.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 juni 2022 en wijst het meer of anders gevorderde af;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, E. de Boer en S. Kuijpers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 april 2023.