ECLI:NL:GHARL:2023:2979

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
6 april 2023
Zaaknummer
Wahv 200.310.859/
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 3 lid 2 WahvArt. 447e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie kentekenhouder wegens door rood rijden ondanks later vastgestelde bestuurder

De betrokkene ging in hoger beroep tegen een sanctie opgelegd aan de kentekenhouder voor het door rood rijden bij een driekleurig verkeerslicht op 16 augustus 2020 in ’s-Gravenhage. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard, maar het hof vernietigde deze beslissing omdat de naam van de kantonrechter ontbrak.

De betrokkene stelde dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd, omdat de bestuurder later was aangehouden en een strafrechtelijke procedure liep. De gemachtigde voerde aan dat de ambtenaar niet had vastgesteld dat het om een driekleurig verkeerslicht ging en dat de sanctie aan de bestuurder had moeten worden opgelegd.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar voldoende bewijs had voor de gedraging en dat de identiteit van de bestuurder niet aanstonds was vastgesteld omdat deze was weggerend na de staandehouding. Hierdoor mocht de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het hof verwierp ook het beroep op het una via-beginsel, omdat geen sprake was van dubbele afdoening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie aan de kentekenhouder wegens door rood rijden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.310.859/01
CJIB-nummer
: 235714186
Uitspraak d.d.
: 4 april 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, omdat de naam van de kantonrechter niet in de beslissing is vermeld.
2. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 15 januari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:262) is het hof van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, nu daarin de naam van de kantonrechter die de uitspraak heeft gedaan niet is vermeld. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 augustus 2020 om 18.15 uur op Grote Marktstraat in
ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde betwist namens de betrokkene de gedraging en voert aan dat de ambtenaar niet heeft aangegeven dat een ‘driekleurig’ verkeerslicht is genegeerd. Hierdoor is de verweten gedraging niet komen vast te staan. Verder stelt de gemachtigde dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv, omdat op dezelfde dag en op hetzelfde tijdstip aan de bestuurder van het voertuig een sanctie is opgelegd voor een andere gedraging (te weten:
[naam1] ). De verweten gedraging had daarom opgelegd moeten worden aan de bestuurder van het voertuig en niet aan de kentekenhouder. Ter onderbouwing hiervan verwijst de gemachtigde naar de door hem bij de kantonrechter ingediende gronden van het beroep. Verder betoogt de gemachtigde dat zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg is bewandeld. Gebleken is dat de bestuurder van het voertuig is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De gemachtigde is van mening dat de ambtenaar heeft nagelaten te onderbouwen waarom hij heeft gekozen voor de afdoening langs twee trajecten. In de strafrechtelijke zaak is bovendien niet gebleken dat (eerdere) boetes zijn opgelegd aan zowel de betrokkene als aan de bestuurder.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 250,00 seconden op rood stond en op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Reden geen staandehouding: wegrennende bestuurder.”
7. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 29 januari 2021, waarin onder meer is verklaard:
“Tijdens de staandehouding, vroeg ik, verbalisant [naam2] , de bestuurder om zijn rijbewijs of kentekenbewijs. Ik vertelde de bestuurder dat hij een bekeuring kreeg voor het door rood rijden. De bestuurder draaide erom heen en gaf aan dat zijn rijbewijs in de kofferbak lag. De bestuurder liep naar zijn kofferbak en begon ineens te rennen in de richting van de Grote Markt. De bestuurder is weggerend en het signalement is doorgegeven aan het Team Technisch Toezicht en aan de collega’s. Wij, verbalisanten, bleven bij het voertuig. Hierop hebben wij, verbalisanten, op kenteken een proces-verbaal uitgeschreven. Nadat het proces-verbaal was uitgeschreven, is de bestuurder door de collega’s aangetroffen in de stad en aangehouden ter zake van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.”
8. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de ambtenaar rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht dat op rood stond. Dat de in het zaakoverzicht opgenomen tekst niet is voorzien van de term ‘driekleurig’, brengt op zichzelf niet mee dat van deze verklaring niet mag worden uitgegaan. Derhalve kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.
10. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
11. De ambtenaar heeft verklaard dat hij de bestuurder niet heeft staande gehouden, omdat de bestuurder het voertuig heeft verlaten en is weggerend. Anders dan de gemachtigde stelt, is het hof van oordeel dat de identiteit van de bestuurder van het voertuig niet aanstonds is vastgesteld. De bestuurder is immers weggerend, nadat aan hem is gevraagd om zijn rij- of kentekenbewijs te laten zien. Vervolgens heeft de ambtenaar een sanctie opgelegd aan de kentekenhouder. Dat de identiteit van de bestuurder van het voertuig kennelijk later is vastgesteld dan op het moment van (het verrichten van) de onderhavige gedraging, betekent niet dat de sanctie alsnog aan de bestuurder opgelegd moet worden. In een dergelijke situatie is immers geen sprake meer van ‘aanstonds vaststellen’ van de identiteit van de bestuurder als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wahv. Dat in de zaak met het CJIB-nummer 235714160 voor de gedraging "als houder van een rijbewijs B, jonger dan 18 jaar en deelnemer aan begeleid rijden zonder begeleider rijden, de administratieve sanctie wel aan de bestuurder ( [naam1] ) is opgelegd, brengt evenmin mee dat de administratieve sanctie voor het door rood licht rijden ook aan de bestuurder moet worden opgelegd.
12. Het beroep van de gemachtigde op het una via-beginsel begrijpt het hof aldus dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing).
13. Die Aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
14. Van het handelen in strijd met de Aanwijzing is in dit geval geen sprake. Er is immers niet gebleken dat sprake is van een (gedeeltelijke) strafrechtelijke afdoening. Reeds hierom faalt de klacht dat sprake is van schending van het una via-beginsel.
15. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep ongegrond verklaren.
16. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.