In deze zaak is het hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kinderrechter waarin de zaak werd beëindigd na een positief afgerond mediationtraject tussen verdachte en het slachtoffer. De officier van justitie had echter voortzetting van het onderzoek gevorderd, waardoor het hof oordeelt dat de eindezaaksverklaring niet wetsconform was en vernietigt deze.
Verdachte is ten laste gelegd dat hij op 25 oktober 2022 te [plaats 1] een tas van het slachtoffer heeft weggenomen met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij geweld is gebruikt om de diefstal te vergemakkelijken. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en het hof acht het bewezen dat hij het slachtoffer meermalen met de hand en vuist heeft geslagen.
Het hof heeft rekening gehouden met de positieve ontwikkeling van verdachte sinds het tenlastegelegde feit, waaronder zijn schoolgang, stage, bijbaan en behandeling bij een jeugdhulporganisatie. Gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden legt het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren op met een proeftijd van 1 jaar.
De straf dient om verdachte te stimuleren zijn positieve ontwikkeling voort te zetten en geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Het vonnis is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 26 april 2023.