ECLI:NL:GHARL:2023:3831

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.317.845/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 9 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 24 november 2020. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen deze sanctie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is omdat de beslissing van de officier van justitie geen beroepsclausule bevatte en de betrokkene pas op 8 juli 2021 de brief met de beroepsclausule ontving. Het beroep dat op 29 maart 2021 werd ingediend, moet daarom als tijdig worden gezien.

De inhoudelijke beoordeling leidt tot vernietiging van de sanctie omdat uit foto’s blijkt dat de telefoon op de schoot lag en de bestuurder beide handen aan het stuur had, wat niet voldoet aan het vereiste van vasthouden. Het hof veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt gegrond verklaard en de sanctie vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.845/01
CJIB-nummer
: 237997974
Uitspraak d.d.
: 8 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 6 oktober 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter stelt dat de beroepstermijn eindigde op 19 augustus 2021 en dat het beroepschrift is ingediend op 8 november 2021. De kantonrechter is hierbij echter voorbij gegaan aan wat de gemachtigde heeft aangevoerd in de brief van 8 november 2021. De betrokkene ontving op 11 december 2020 de beslissing van de officier van justitie, waarbij werd aangegeven “Het CJIB zal u informeren over de wijze waarop u beroep kunt instellen tegen deze beslissing”. Er stond geen beroepsclausule in deze beslissing. Omdat een brief van het CJIB uitbleef heeft de betrokkene juridische bijstand gezocht, waarna de gemachtigde bij brief van 19 maart 2021 beroep heeft ingesteld. Het is de gemachtigde bekend dat er geen 3 maanden voorbij gaan voordat het CJIB de brief stuurt met informatie over het instellen van het beroep. Als het beroep prematuur zou zijn ingesteld, dan is artikel 6:10 Awb Pro van toepassing.
3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
4. Uit het dossier blijkt het volgende.
  • De betrokkene heeft op 9 december 2020 via het digitaal loket beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking.
  • Bij brief van 11 december 2020 heeft de officier van justitie een beslissing genomen op dit beroep en het beroep ongegrond verklaard. De brief bevat de motivering van de beslissing. In deze brief staat verder vermeld dat het CJIB de betrokkene zal informeren over de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen deze beslissing.
  • Op 29 maart 2021 heeft de gemachtigde via het digitaal loket een brief ingediend. De via het digitaal loket aangegeven tekst luidt: “Hierbij vul ik mijn beroep tegen de boete met het CJIB-nummer 2062 5422 3799 7974 aan. (…) zie bijlage”. Op de als bijlage bijgevoegde brief van de gemachtigde van 19 maart 2021 staat vermeld: betreft: beroep kantonrechter” en deze brief houdt verder in dat de gemachtigde namens de betrokkene beroep instelt tegen de beslissing van de officier van justitie in de procedure met het onderhavige CJIB-nummer.
  • Blijkens het zaakoverzicht is de beslissing van de officier van justitie op 8 juli 2021 aan de betrokkene verzonden. .
  • Op 8 november 2021 heeft de gemachtigde opnieuw een brief ingediend via het digitaal loket. De via het digitaal loket aangegeven tekst luidt: “Hierbij ga ik in beroep tegen de boete met CJIB-nummer 2062 5422 3799 7974. (…)” Onder het kopje “Ik ga te laat in beroep” is als tekst opgenomen: ”Dit beroep is op 19 maart 2021 al ingesteld nadat cliënt de beslissing had ontvangen. De motivering is van 11 december 2020 maar cliënt ontving maar geen brief van het CJIB met daarop ‘beslissing van de officier van justitie’. Om die reden is zekerheidshalve op 19 maart beroep ingesteld bij de kantonrechter. Pas op 8 juli 2021 heeft cliënt de brief ontvangen van het CJIB met daarop ‘beslissing van de officier’” Als bijlage bij de brief van 8 november 2021 heeft de gemachtigde de brief aan het digitaal loket van 29 maart 2021 en de daarbij gevoegde brief van 19 maart 2021 gevoegd.
5. Het hof stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de officier van justitie op 11 december 2020 een beslissing heeft genomen op het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking. De motivering van deze beslissing is op die datum aan de betrokkene verzonden. Deze brief bevatte echter geen beroepsclausule. De brief van het CJIB genaamd ‘beslissing van de officier van justitie’ - waarin de beroepsclausule is opgenomen - is pas op 8 juli 2021 aan de betrokkene verzonden, zodat de betrokkene, die toen zonder gemachtigde procedeerde, niet kan worden toegerekend niet binnen zes weken na de dag van verzending van de beslissing van 11 december 2020 beroep te hebben ingesteld.
6. De gemachtigde heeft op 29 maart 2021 via het digitaal loket beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Dit beroep moet als verschoonbaar niet tijdig worden aangemerkt.
7. Gelet hierop heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 november 2020 om 10:38 uur op de N210 (hmp 47,65 links) in IJsselstein met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
9. De gemachtigde en de betrokkene hebben gedurende de procedure aangevoerd dat de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat in de hand had of op andere wijze iets bediend heeft. Zowel de rechterhand als de linkerhand is aan het stuur. Er is derhalve geen sprake van vasthouden. De gemachtigde verwijst onder meer naar het arrest van dit hof van 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2186, waaruit volgt dat het bedienen en op schoot hebben liggen van een voorwerp niet onder vasthouden valt.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens
Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van drie beelden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. Doordat de overtreding met een camerasysteem is geconstateerd bestond er geen mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. (…)
Bijlagen: een fotoblad.”
11. In het dossier bevinden zich 3 foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is te zien dat de bestuurder beide handen aan het stuur heeft en dat een donkergekleurde mobiele telefoon ligt op de schoot van de bestuurder, die een lichte jas aan heeft.
12. Het hof heeft in zijn arrest van 9 augustus 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:7637) geoordeeld dat vasthouden in de zin van artikel 61a RVV 1990, met het oog op de verkeersveiligheid en de mogelijkheid tot handhaving, ruim moet worden uitgelegd, doch dat daarbij enige vorm van fysiek vasthouden wordt verlangd. Het op schoot of op het been hebben van een mobiele telefoon kan niet worden aangemerkt als vasthouden in de zin van voornoemd artikel.
13. Nu uit de foto’s van de gedraging niet meer blijkt dan dat de telefoon op de schoot van de bestuurder lag en de bestuurder met beide handen het stuur vasthield, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat het hof ook de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking zal vernietigen. Het aan zekerheid gesteld bedrag moet worden terugbetaald.
14. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.255,50 (3 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.255,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.