ECLI:NL:GHARL:2023:4287

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
17 mei 2023
Zaaknummer
Wahv 200.317.815/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 AwbArt. 7:19 AwbArt. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie door roodlichtpassage ondanks hoorplichtgeschil

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctie van €240 wegens doorrijden bij een rood verkeerslicht op 17 augustus 2020. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door slechts een telefonische hoorzitting aan te bieden en geen fysieke zitting te organiseren.

Het hof oordeelde dat de hoorplicht inderdaad niet adequaat was nageleefd, omdat op grond van artikel 7:19, derde lid, Awb alleen van het horen in het openbaar kan worden afgezien bij verzoek of gewichtige redenen, die hier ontbraken. De beslissing van de kantonrechter werd daarom vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard.

Bij de inhoudelijke beoordeling van de sanctie stelde het hof vast dat de ambtenaar bevoegd was en dat de administratieve sanctie op voldoende gegevens was gebaseerd, waaronder foto's waarop het voertuig van de betrokkene duidelijk zichtbaar was bij rood licht. De aangevoerde argumenten over de geeltijd en de betrouwbaarheid van het bewijs werden verworpen.

Het hof oordeelde ook dat er geen sprake was van een structurele schending van de hoorplicht jegens professioneel rechtsbijstandverleners die tot matiging van de sanctie zou moeten leiden. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €240 voor doorrijden bij rood licht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.317.815/01
CJIB-nummer
: 235826229
Uitspraak d.d.
: 17 mei 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 september 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 12 oktober 2020 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking en heeft verzocht om te worden gehoord.
3. Bij brief van 6 januari 2021 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord op 2 februari 2021 om 13.30 uur. Hierin is aangegeven dat, als de gemachtigde niet binnen twee weken aangeeft verhinderd te zijn, ervan uit wordt gegaan dat hij telefonisch gehoord wil worden op dat tijdstip en dat als de gemachtigde dan niet bereikbaar is, er een telefonische hoorzitting plaats vindt in zijn afwezigheid, waarna een beslissing zal worden genomen. In een hoorverslag van 2 februari 2021 is vermeld dat er geen reactie is ontvangen op die brief en dat de gemachtigde vier keer is gebeld, maar dat de gemachtigde hierbij niet bereikt werd.
4. In zijn beslissing van 16 februari 2021 geeft de officier van justitie aan van het horen te hebben afgezien, omdat de officier van justitie ondanks meerdere pogingen op 2 februari 2021 geen contact heeft kunnen krijgen met de gemachtigde.
5. Het hof stelt vast dat het verzoek om door de officier van justitie te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat geen van de andere uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich hier voordoet. Door te handelen zoals hiervoor omschreven, is de gemachtigde naar het oordeel van het hof niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat gelet op artikel 7:19, derde lid, van de Awb slechts van horen in het openbaar kan worden afgezien op verzoek van een belanghebbende dan wel om gewichtige redenen. Het een noch het ander doet zich hier voor. Dat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de brief van 2 februari 2021, vormt geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien.
6. Het hof zal gelet hierop de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige klachten tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer.
7. Thans staat ter beoordeling van het hof het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 augustus 2020 om 20:55 uur op de Prins Bernhardlaan in Voorburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De gemachtigde stelt dat er redenen zijn om te twijfelen aan de bevoegdheid, de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hij voert daartoe aan dat een akte van wijziging van functie ontbreekt, zodat het er voor moet worden gehouden dat de ambtenaar nog werkzaam is in de functie van secretaresse, zoals vermeld in de aanstelling die de gemachtigde heeft aangetroffen op de website van het CJIB en die niet wordt gedekt door de categorale beschikking, waaraan de ambtenaar een geldige titel van opsporingsbevoegdheid kan ontlenen.
9. Zoals het hof heeft geoordeeld in het arrest van 23 december 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:11084, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar.
10. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Uit de door de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter overgelegde stukken, waaronder met name de akte van beëdiging van 3 oktober 2017 en de getuigschriften van 5 november 2012 en 11 april 2017 van 14 augustus 2014 volgt dat de betreffende ambtenaar -blijkens het zaakoverzicht [nummer1] - een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) voor het domein generieke opsporing is. Dat uit oudere stukken blijkt dat de ambtenaar eerder een andere functie heeft gehad, geeft het hof geen reden tot twijfel dat de ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging een boa domein generieke opsporing was. Het bezwaar treft geen doel.
11. De gemachtigde voert verder aan dat de verklaring van de ambtenaar niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, zodat deze dezelfde bewijswaarde heeft als de verklaring van de betrokkene, die de gedraging ontkent. Daarmee zijn de aanvullende bewijsmiddelen, zoals in dit geval de foto's van de beweerdelijke gedraging, van doorslaggevend belang. De foto's in het dossier zijn, zo stelt de gemachtigde, echter niet bruikbaar voor de vaststelling van de gedraging, nu deze obscuur zijn, er meerdere voertuigen op zijn te zien, geen onderscheid gemaakt kan worden tussen het voertuig van de betrokkene en andere voertuigen en de kleur van het verkeerslicht niet is te zien.
12. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens in het dossier. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,7 seconden.
Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.”
14. Verder bevinden zich in het dossier twee foto's van de gedraging. De foto's zijn weliswaar donker, maar hierop is, anders dan de gemachtigde stelt, wel het voertuig met kenteken [kenteken] te zien en ook rood licht uitstralende verkeerslichten. Het hof is van oordeel dat op basis van het zaakoverzicht en de foto's met de daarbij behorende gegevens genoegzaam is komen vast te staan dat het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht is gepasseerd, zodat de gedraging is verricht.
15. Ook voert de gemachtigde aan dat het verkeerslicht zodanig scherp is afgesteld dat de geellichtfase korter duurt dan hetgeen door de wetenschap wordt aangemerkt als een afstelling die een veilige stopafstand meebrengt, namelijk 3,5 seconden. De gemachtigde verwijst hierbij naar het IVER-rapport "onderzoek geeltijden" van 25 januari 2016. De gemachtigde voert voorts aan dat de betrokkene meent dat dan ook niet van haar kan worden gevergd dat zij haar voertuig middels een noodstop tot stilstand brengt louter om te voorkomen dat het rode verkeerslicht wordt gepasseerd.
16. In deze zaak bedraagt de geeltijd 3,4 seconden. Het hof ziet in dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat de geelfase in dit geval onvoldoende was om daarbinnen een voertuig veilig tot stilstand te brengen. De enkele omstandigheid dat in het door de gemachtigde genoemde rapport kennelijk een langere geeltijd wordt geadviseerd, is daartoe onvoldoende. Dat de sanctie ten onrechte is opgelegd omdat de gedraging niet verwijtbaar is verricht, is daarmee niet aannemelijk geworden.
17. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde verder heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat er redenen zijn om in dit geval het bedrag van de sanctie te matigen. Het standpunt van de gemachtigde dat ook in zaken waarin een betrokkene wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, die in navolging van het arrest van het hof van 22 november 2022, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:9934, tot matiging met het sanctiebedrag dient te leiden, deelt het hof niet. Dat de officier van justitie in de periode van januari 2021 tot medio 2022 in vijfendertig zaken van de gemachtigde heeft nagelaten een fysieke hoorzitting te organiseren, leidt niet tot het oordeel dat de hoorplicht structureel in zaken van een gemachtigde wordt geschonden.
18. De beroepsgronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.