Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[verzoeker](de stiefvader),
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en de stiefvader hebben bij de rechtbank een verzoek ingediend tot stiefouderadoptie van de minderjarige [de minderjarige1], geboren in 2014. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, waarna zij in hoger beroep gingen. De vader, die het kind erkend heeft en tot september 2020 omgang met het kind had, heeft geen verweer gevoerd en verklaarde geen bezwaar te hebben tegen de adoptie.
Het hof heeft onderzocht of aan de strenge voorwaarden van artikel 1:227 lid 3 BW Pro is voldaan, waaronder het vereiste dat adoptie in het kennelijk belang van het kind is en dat redelijkerwijs kan worden voorzien dat het kind niets meer van zijn biologische ouder te verwachten heeft. Uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming en de zitting bleek dat het kind het jammer vindt zijn vader niet te zien en contact wenst, en dat de vader ook een rol in het leven van het kind wil blijven vervullen.
Het hof concludeerde dat niet vaststaat dat het kind niets meer van zijn vader te verwachten heeft en dat adoptie niet in het kennelijk belang van het kind is. De moeder en stiefvader wilden met adoptie het kind beschermen tegen gedwongen contact, maar het hof vond dit onvoldoende grond. Het verzoek tot stiefouderadoptie is daarom terecht afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.