Belanghebbende was tot 4 juni 2014 gehuwd in gemeenschap van goederen en bleef samen met zijn ex-partner voor de helft eigenaar van de woning tot de verkoop in 2016. Na de echtscheiding sloten partijen een convenant waarin zij afzagen van partneralimentatie en afspraken maakten over het gebruiksrecht en de verkoop van de woning.
Belanghebbende betaalde de volledige hypotheekrente over de jaren 2014 tot en met 2016 en nam deze in aftrek bij zijn belastingaangiften. De Inspecteur corrigeerde deze aftrek door slechts de helft van de rente toe te laten, omdat de woning gemeenschappelijk eigendom bleef tot de verkoop. De rechtbank stelde de Inspecteur in het gelijk en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de volledige rente aftrekbaar was, al dan niet deels als onderhoudsverplichting. Het hof oordeelde dat de eigenwoningregeling slechts geldt voor het deel van de woning waarvan men eigenaar is en dat de afspraken in het echtscheidingsconvenant over afzien van alimentatie bindend zijn. De verklaring van de ex-partner dat belanghebbende de volledige rente betaalde, verandert hier niets aan.
Het hof bevestigde dat voor 2014 geen fiscaal partnerschap was gekozen waardoor ook toen slechts de helft aftrekbaar was. Voor 2015 en 2016 geldt hetzelfde. Het beroep op onderhoudsverplichting faalde omdat er geen uit het familierecht voortvloeiende verplichting tot alimentatie bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aanslagen en belastingrenten werden gehandhaafd.