Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2014. Na hun relatiebreuk in 2016 woont het kind bij de moeder. De vader heeft in 2019 verzocht om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling, waarop de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek deed en advies uitbracht.
De rechtbank stelde een omgangsregeling vast en wees het verzoek tot gezamenlijk gezag af. De vader ging hiertegen in hoger beroep met zes grieven, stellende dat hij samen met de moeder het gezag wilde uitoefenen.
Het hof oordeelt dat het belang van het kind voorop staat en dat het huidige systeem met eenhoofdig gezag bij de moeder en een goed functionerende omgangsregeling het beste is. Gezien het verleden van de vader met geweld en verslavingsproblemen acht het hof gezamenlijk gezag nu een onaanvaardbaar risico voor het kind en de communicatie tussen ouders.
De moeder woont inmiddels in Nederland met haar partner, waardoor de vrees van de vader voor verhuizing naar België niet meer relevant is. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vader af, met het oog op het welzijn van het kind.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af en bekrachtigt het eenhoofdig gezag bij de moeder.