De betrokkene kreeg een boete van €250 opgelegd voor het gebruik van een puntstuk op 1 oktober 2021 op de Westerweg in Heerhugowaard. De betrokkene ging in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om proceskostenvergoeding afwees.
De gemachtigde van de betrokkene stelde dat het openbaar ministerie op de zitting van de kantonrechter had aangegeven de inleidende beschikking te willen vernietigen, waardoor de kantonrechter het beroep niet had mogen behandelen. Volgens de gemachtigde had de kantonrechter moeten toetsen of er nog belang was bij het beroep en anders het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter niet gebonden is aan het standpunt van het openbaar ministerie en zelfstandig moet beoordelen of de bestuurder ten onrechte niet is staande gehouden. In deze zaak was voldoende gebleken dat staandehouding niet mogelijk was vanwege verkeersdrukte. Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.