ECLI:NL:GHARL:2023:579

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2023
Publicatiedatum
23 januari 2023
Zaaknummer
Wahv 200.307.888/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 lid 1 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening in bestuursstrafzaak

De betrokkene, als kentekenhouder, stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het beroep werd niet tijdig ingediend, aangezien de beroepstermijn van zes weken was verstreken toen het beroepschrift werd ingediend.

De betrokkene voerde aan dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de feitelijke bestuurder pas na het verstrijken van de termijn werd geïnformeerd. Tevens werd aangevoerd dat het CJIB een nieuwe beschikking zou sturen, waarmee een nieuwe beroepstermijn zou starten, maar deze werd niet ontvangen.

Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. De inleidende beschikking was terecht aan de kentekenhouder gestuurd, die verantwoordelijk is voor tijdige indiening van beroep. Vertrouwen op mededelingen van het CJIB kan niet leiden tot een nieuwe beroepstermijn. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.307.888/01
CJIB-nummer
: 232668583
Uitspraak d.d.
: 23 januari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 2 februari 2022, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats] ,
De ondergemachtigde is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De ondergemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De inleidende beschikking is op 31 maart 2020 voor de eerste maal aan de betrokkene, de kentekenhouder van het betrokken voertuig, toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 12 mei 2020. Het beroepschrift is op 5 augustus 2020 ingediend via het Digitaal Loket Verkeer. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
4. De ondergemachtigde stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe wordt aangevoerd dat niet eerder beroep bij de officier van justitie kon worden ingesteld, omdat de gemachtigde (de gebruiker van het voertuig) pas na ommekomst van de beroepstermijn door de betrokkene op de hoogte is gesteld van de inleidende beschikking. De gemachtigde heeft contact opgenomen met het CJIB. Met de gemachtigde is toen afgesproken dat aan hem een nieuwe inleidende beschikking zou worden toegestuurd, waarmee ook een nieuwe beroepstermijn zou gaan lopen. De nieuwe inleidende beschikking heeft hij echter niet ontvangen, omdat deze wederom aan de betrokkene werd toegestuurd. De gemachtigde mocht in dit geval vertrouwen op de uitlatingen van de medewerker van het CJIB, zo stelt de ondergemachtigde. Hij wijst erop dat deze verklaring steun vindt in het zaakoverzicht, waarin staat vermeld dat de initiële beschikking twee keer is opgemaakt.
5. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
7. Hetgeen door de ondergemachtigde is aangevoerd, brengt niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De inleidende beschikking is immers
- overeenkomstig artikel 5 van Pro de Wahv - op naam gesteld van de betrokkene als kentekenhouder en derhalve op 31 maart 2020 terecht aan haar toegezonden. Zij heeft deze ook ontvangen. Derhalve lag het op de weg van de kentekenhouder, als degene op wie de aansprakelijkheid voor de sanctie rust, om tijdig beroep in te stellen, dan wel de gemachtigde, als feitelijk bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht, in staat te stellen tijdig beroep in te stellen (vgl. het arrest van dit hof van 11 juli 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1444). De gevolgen van het niet tijdig in kennis stellen van de ontvangst van de inleidende beschikking door de kentekenhouder aan de gebruiker van het voertuig waardoor niet tijdig door de gebruiker beroep tegen de inleidende beschikking kon worden ingesteld komen voor rekening van de kentekenhouder.
8. Het standpunt van de ondergemachtigde impliceert dat bij het opnieuw versturen van de inleidende beschikking door het CJIB een nieuwe termijn voor het instellen van administratief beroep aanvangt. Die stelling vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Voor zover door het opnieuw versturen van een inleidende beschikking door het CJIB bij een indiener van een beroepschrift de indruk is ontstaan dat alsnog tijdig beroep kon worden ingesteld tegen de inleidende beschikking, merkt het hof op dat de officier van justitie de bevoegde instantie is om te beslissen op het beroep en niet het CJIB. Aan een dergelijke mededeling van een ter zake niet-bevoegde instantie, komt daarom niet het door de ondergemachtigde gewenste gevolg toe (vgl. het arrest van dit hof van 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5221).
9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing bestaat er geen recht op een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.