Partijen zijn in 2013 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 2019 gescheiden. De man is eigenaar van de woning die tijdens het huwelijk werd bewoond en die verkocht zou worden. In het echtscheidingsconvenant is afgesproken dat de netto verkoopopbrengst van de woning gelijk verdeeld zou worden. De verkoop aan een koper ging echter niet door.
De vrouw vordert in hoger beroep dat het convenant wordt gewijzigd zodat zij ook bij niet-verkoop aanspraak kan maken op €80.000,- als vergoeding voor investeringen. De man beroept zich op dwaling en redelijkheid en billijkheid om het convenant te vernietigen of te wijzigen.
Het hof oordeelt dat de woning niet tot een gemeenschap behoort en dat het beroep op dwaling faalt. Wel is sprake van een leemte in het convenant omdat geen regeling is getroffen voor het niet doorgaan van de verkoop. Het hof vult deze leemte aan op grond van redelijkheid en billijkheid en bepaalt dat de man aan de vrouw €80.000,- moet betalen. De woning wordt aan de man toegewezen zonder verrekening, met de verplichting dat hij de kosten van de notariële verdelingsakte draagt.
De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. Het arrest is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 11 juli 2023.