Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Tussen partijen bestond een huurovereenkomst voor woonruimte van juli 2018 tot augustus 2020. De overeengekomen huurprijs werd door de Huurcommissie in mei 2019 als onredelijk vastgesteld, waarna partijen dit niet aan de kantonrechter hebben voorgelegd. Na beëindiging van de huurovereenkomst door brand, ontstond een geschil over terugbetaling van de waarborgsom en servicekosten.
De kantonrechter wees in mei 2022 de vorderingen van de huurder toe en wees die van de verhuurder af. Appellant stelde in hoger beroep grieven tegen dit vonnis, maar het hof oordeelde dat hoger beroep tegen beslissingen krachtens artikel 7:262 BW Pro in principe niet mogelijk is, tenzij sprake is van doorbrekingsgronden die hier niet zijn aangetoond.
Daarnaast was appellant niet tijdig in verzet gekomen tegen een uitspraak van de Huurcommissie uit maart 2022, waardoor ook dat deel van het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk, veroordeelde hem in de proceskosten en wees verdere vorderingen af.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.