ECLI:NL:GHARL:2023:5910

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
22/00633
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 1 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting gemeente Elburg

De heffingsambtenaar van de gemeente Elburg stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak per peildatum 1 januari 2020 vast op €950.000 en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2021 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank Gelderland, die het beroep gegrond verklaarde, de WOZ-waarde verminderde tot €819.000 en de aanslag dienovereenkomstig aanpaste. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tevens tot vergoeding van proceskosten.

De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, belanghebbende incidenteel hoger beroep. Tijdens de zitting op 20 juni 2023 bereikten partijen een compromis: de WOZ-waarde werd vastgesteld op €800.000, de heffingsambtenaar vergoedt de proceskosten van belanghebbende op basis van 2 punten volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de eerdere proceskostenveroordeling blijft in stand.

Het hof verklaarde het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond en het incidenteel hoger beroep gegrond. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €1.674, gebaseerd op de voor 2023 geldende waarde per punt van €837, conform een arrest van de Hoge Raad dat onderscheid in tarieven voor Bpm/WOZ-procedures onrechtmatig acht.

De uitspraak werd op 11 juli 2023 in het openbaar gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, onder voorzitterschap van mr. M.M. Breij. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €800.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd; de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/00633
uitspraakdatum: 11 juli 2023
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
heffingsambtenaarvan
de gemeente Elburg(hierna: de heffingsambtenaar)
en het incidentele hoger beroep van
Stichting [belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 februari 2022, nummer AWB 21/4120, ECLI:NL:RBGEL:2022:811, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres1] 2 te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 950.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2021 voor het gebruikersgedeelte vastgesteld op € 1.434,50.
1.2.
Op het bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de beschikking verminderd tot € 819.000, de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.256,20 en gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 vergoedt.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam1] namens belanghebbende en [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] .

2.Overwegingen

2.1.
Partijen zijn ter zitting bij wijze van compromis het volgende overeengekomen:
  • de waarde van de onroerende zaak [adres1] 2 te [plaats1] per waardepeildatum 1 januari 2020 is € 800.000;
  • de heffingsambtenaar vergoedt aan belanghebbende de kosten die zij in verband met het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep heeft moeten maken, te berekenen op basis van 2 punten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb); en
  • de veroordeling door de Rechtbank van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende blijft ongewijzigd in stand.
2.2.
Het Hof beslist hierna overeenkomstig dit compromis. Dit betekent dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond is en het incidenteel hoger beroep gegrond.

3.Proceskosten in hoger beroep

3.1.
Het bedrag van de proceskosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt vastgesteld door de aan de verrichte proceshandelingen toegekende punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en de toepasselijke wegingsfactor. [1]
3.2.
Bij ministeriële regeling van 12 december 2022 [2] heeft de Minister voor Rechtsbescherming de waarde per punt vermeld in het Bpb gewijzigd. Op grond van het aangepaste Bpb en gelet op artikel IV van de hiervoor bedoelde ministeriële regeling en de toelichting op die regeling dient het Hof de proceskostenvergoeding in het onderhavige geval vast te stellen op basis van de voor 2023 geldende tarieven. Daarbij wordt in het aangepaste Bpb – evenals in het vanaf 1 juli 2021 en voor het jaar 2022 geldende Bpb – onderscheid gemaakt naar gelang sprake is van – kort gezegd – Bpm/WOZ-procedures enerzijds en overige procedures anderzijds. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dat onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet, omdat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte verschil in behandeling. [3] Zulks heeft naar het oordeel van het Hof ook te gelden voor het in het per 1 januari 2023 van kracht zijnde Bpb gemaakte onderscheid. Het Hof past daarom, conform het voornoemde arrest, in hoger beroep een waarde per punt van € 837 toe.
3.3.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep heeft moeten maken daarom vast op € 1.674 (2 punten, wegingsfactor 1, € 837).

4.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar,
– vermindert de waarde tot € 800.000,
– vermindert de aanslag OZB 2021 dienovereenkomstig, en
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.674.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. T. Tanghe en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
De beslissing is op 11 juli 2023 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,
te ondertekenen.
(M.M. Breij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, Bpb in samenhang met de bijlage bij het Bpb.
2.Staatscourant 2022, 34448.
3.HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.