Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
In het bij de aangifte overgelegde taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in een onbeschadigde staat geschat met gebruikmaking van de handelsinkoopwaarde van enkele referentievoertuigen. Op die handelsinkoopwaarde zijn alle geraamde kosten van herstel van de schade van € 8.977 als waardevermindering in aanmerking genomen bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto.
De Rechtbank heeft dit standpunt van belanghebbende gevolgd. Zij heeft het beroep gegrond verklaard en het voor de auto verschuldigde bedrag aan bpm verminderd tot € 4.466.
De Inspecteur heeft bij verweerschrift de juistheid van dit standpunt betwist. Vervolgens heeft hij in de pleitnota voor de zitting zich ook op het standpunt gesteld dat - zelfs als rekening moet worden gehouden met het in 2013 van toepassing zijnde tarief - ter zake van de registratie van de auto niet minder bpm is verschuldigd dan belanghebbende volgens de beslissing van de Rechtbank had moeten voldoen. Volgens de Inspecteur had belanghebbende namelijk niet zonder meer honderd procent van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking mogen nemen vanwege het bepaalde in paragraaf 3.5 van bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Bij gebrek aan een door de taxateur bij het taxatierapport gevoegde, deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal had belanghebbende volgens de Inspecteur niet meer dan 72 procent van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking mogen nemen bij de bepaling van de afschrijving van de auto. Omdat belanghebbende die herstelkosten volledig in aanmerking heeft genomen, is de afschrijving op een te hoog percentage gesteld en dat brengt, aldus de Inspecteur, mee dat belanghebbende een hoger bedrag aan bpm op aangifte had moeten voldoen. Dit bedrag moet volgens de Inspecteur bij wijze van interne compensatie worden verrekend met het bedrag aan bpm dat te veel is betaald doordat het tarief van 2013 niet is toegepast. Daardoor heeft belanghebbende, aldus de Inspecteur, eerder te weinig dan te veel bpm betaald.
3.Beoordeling van de middelen
4.Slotsom
Voor een verlenging van de voor de behandeling van het hoger beroep redelijk te achten termijn van twee jaar bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft op 14 mei 2019 hoger beroep ingesteld en het Hof heeft op 22 juni 2021 uitspraak gedaan. Daarmee is de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Aan belanghebbende moet daarom een vergoeding van immateriële schade worden toegekend ten bedrage van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.