ECLI:NL:GHARL:2023:5958

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
200.323.853
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep erkenning en gezag minderjarige kinderen afgewezen

In deze civiele zaak stond de erkenning en het gezag over twee minderjarige kinderen centraal. De rechtbank had aan de vader vervangende toestemming gegeven om de oudste zoon te erkennen en een raadsonderzoek bevolen over erkenning, gezag en omgang met de jongste zoon. De moeder en de oudste zoon kwamen in hoger beroep tegen deze beschikking.

Het hof oordeelde dat geen van de betrokkenen wenst dat de erkenning van de oudste zoon via een rechterlijke uitspraak plaatsvindt, maar liever in onderling overleg. Daarom vernietigde het hof de beschikking voor zover het de erkenning betrof en wees het verzoek van de vader af. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het raadsonderzoek, omdat dit een tussenbeslissing betreft waartegen geen hoger beroep openstaat.

Ook de vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om de beschikking over het raadsonderzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat deze beslissing niet vatbaar is voor executie. Hiermee bevestigde het hof de afwijzing van de erkenning op basis van rechterlijke toestemming en handhaafde het de procedurele beslissingen rondom het raadsonderzoek.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot vervangende toestemming voor erkenning af en verklaart moeder en vader niet-ontvankelijk in hoger beroep over het raadsonderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.323.853/01 – 02 – 03.
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 536676)
beschikking van 13 juli 2023
inzake
[verzoekster], verder te noemen: de moeder.
en
[verzoeker], verder te noemen: [verzoeker] ,
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in het principaal hoger beroep,
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen,
en
[de verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.A. Prins te Nieuwegein.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator],
advocaat te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de bijzondere curator.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 maart 2023;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met een productie;
- een brief van mr. Prins van 2 juni 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. De Blieck-Willemsen van 11 juni 2023 met producties.
2.2
Op 12 juni 2023 is de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden met een raadsheer van het hof heeft gesproken.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 15 juni 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder en [verzoeker] , bijgestaan door hun advocaat;
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-de bijzondere curator.
-een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [verzoeker] , geboren te [woonplaats1] [in] 2005 en
- [de minderjarige] , geboren te [woonplaats1] [in] 2008.
De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de door de rechtbank aan de vader verleende vervangende toestemming om [verzoeker] te erkennen en het door de rechtbank aan de raad opgedragen onderzoek omtrent de verzoeken van de vader tot
-vervangende toestemming om [de minderjarige] te erkennen;
-verkrijging van het gezag over [de minderjarige] ;
-het vaststellen van een omgangsregeling met [de minderjarige] .
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader toestemming verleend om [verzoeker] te erkennen. De rechtbank heeft de verzoeken van de vader om samen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag over [verzoeker] , om de hoofdverblijfplaats van [verzoeker] bij hem vast te stellen en een zorgregeling tussen de moeder en [verzoeker] vast te stellen, afgewezen.
De rechtbank heeft voorts de raad verzocht om te onderzoeken:
- in hoeverre de erkenning door de vader de ontwikkeling van [de minderjarige] kan schaden of de
relatie tussen de moeder en [de minderjarige] kan verstoren;
- welke beslissing over het gezag het meest in het belang van [de minderjarige] is;
- of er bezwaren zijn tegen het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en
[de minderjarige] en, zo nee, welke omgangsregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is.
De rechtbank heeft de (verdere) beslissing over de erkenning, het gezag en de omgangsregeling ten aanzien van [de minderjarige] pro form aangehouden tot 7 juli 2023, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de raad.
4.3
De moeder (en [verzoeker] ) zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Verzocht wordt om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel die verzoeken af te wijzen.
4.4
De vader heeft verweer gevoerd. Hij vraagt het hof om de verzoeken in het principaal hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens de verleende vervangende toestemming om [verzoeker] te erkennen.
De vader heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht om de beschikking van de rechtbank, voor zover daarin een onderzoek door de raad is bevolen naar de in die beschikking genoemde onderzoeksvragen, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
dan wel
bij beschikking voorlopige voorzieningen: de beschikking van de rechtbank, voor zover daarin een onderzoek door de raad is bevolen naar de in die beschikking genoemde onderzoeksvragen, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.5
De moeder heeft verweer gevoerd in het door de vader ingestelde incidentele hoger beroep dan wel tegen de door de vader verzochte voorlopige voorzieningen.
Zij vraagt het hof om de vader in zijn desbetreffende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel om die verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De vervangende toestemming voor de erkenning van [verzoeker]
5.1
De moeder en [verzoeker] zijn het niet eens met de door de rechtbank aan de vader verleende toestemming om [verzoeker] te erkennen. De vader heeft ten aanzien van dit onderdeel in hoger beroep geen verweer gevoerd. Hij hoopt en verwacht de erkenning met [verzoeker] alsnog in onderling overleg te kunnen regelen. Hij heeft om die redenen te kennen gegeven dat hij het hof niet vraagt om de bestreden beschikking ten aanzien van de verleende toestemming voor de erkenning van [verzoeker] te bekrachtigen.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten nader toegelicht, waarbij duidelijk is geworden dat geen van de betrokkenen (de vader, de moeder en [verzoeker] zelf, die inmiddels 18 jaar is) meer wenst dat de erkenning van [verzoeker] zal plaatsvinden op basis van een rechterlijke uitspraak in plaats van in onderling overleg, omdat dit laatste de band tussen de vader en [verzoeker] veel meer ten goede zal komen. Bij deze stand van zaken zal het hof de bestreden beschikking in zoverre vernietigen en het verzoek van de vader alsnog afwijzen.
Het door de rechtbank verzochte raadsonderzoek
5.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de raad een onderzoek te laten verrichten met betrekking tot de erkenning van [de minderjarige] door de vader, het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . De vader wil dat het onderzoek van de raad doorgaat.
5.3
Het hof zal de moeder ten aanzien van dit onderdeel van haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank heeft een raadsonderzoek bevolen naar de in 5.2 genoemde geschilpunten, ten aanzien van welke punten in de bestreden beschikking op geen enkel onderdeel een eindbeslissing is gegeven. Op grond van artikel 337 lid 2 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is hoger beroep tegen een dergelijke tussenbeslissing niet mogelijk, tenzij de rechtbank anders heeft bepaald. De rechtbank heeft niet bepaald dat in dit geval tegen de tussenbeslissing hoger beroep mogelijk is.
De verzoeken van de vader in het incidenteel hoger beroep
5.4
De vader heeft in zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep verzocht om (al dan niet als voorlopige voorziening) de beschikking van de rechtbank, voor zover daarin een onderzoek door de raad is bevolen naar de in die beschikking genoemde onderzoeksvragen, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het hof zal de vader in die verzoeken niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van het door de rechtbank bevolen raadsonderzoek valt niets te executeren. Die beslissing komt daarom niet voor een uitvoerbaar bij voorraadverklaring in aanmerking.

6.De slotsom

In het principaal hoger beroep:
6.1
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend om [verzoeker] te erkennen en in zoverre beslissen als hierna volgt.
Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van het door de rechtbank bevolen raadsonderzoek.
In het incidenteel hoger beroep:
6.2
Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende
in het principaal hoger beroep (200.323.853/01):
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
8 december 2022, voor zover daarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend om [verzoeker] te erkennen,
en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen om [verzoeker] te erkennen alsnog af;
verklaart de moeder in het meer of anders verzochte niet-ontvankelijk;
in het incidenteel hoger beroep (200.323.853/02 en 03):
verklaart de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, R. Feunekes en P.B. Kamminga, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door
mr. Kamminga en op 13 juli 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.