In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellante en een derde zonder toestemming geld hadden afgeschreven van de jongerenrekening van geïntimeerde in de periode 2012-2014. Het hof nam het tussenarrest van april 2022 over en stelde vast dat appellante tegenbewijs mocht leveren, maar uiteindelijk niet slaagde in haar bewijslevering.
Appellante verklaarde dat geïntimeerde zelf betalingen deed vanaf de rekening, maar deze verklaring werd niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Diverse getuigenverklaringen en schriftelijke stukken toonden aan dat de pinpas bij de rekening door meerdere gezinsleden werd gebruikt, maar niet dat geïntimeerde zelf betalingen verrichtte. Bovendien ontkende geïntimeerde toestemming te hebben gegeven voor het gebruik van zijn rekening.
Het hof weegt ook een geluidsopname waarin appellante excuses aanbiedt en geen aanwijzingen geeft dat geïntimeerde zelf toegang had tot de rekening. Het verjaringsverweer van appellante werd niet ontvankelijk verklaard. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, wijst het hoger beroep af en veroordeelt appellante tot betaling van proceskosten.