ECLI:NL:GHARL:2023:6069

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2023
Publicatiedatum
17 juli 2023
Zaaknummer
Wahv 200.314.860/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 RVV 1990Art. 13 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rechts inhalen buiten bebouwde kom niet van toepassing binnen bebouwde kom

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor rechts inhalen op 5 augustus 2020 in Rotterdam. Hij voerde aan dat hij bij groen licht sneller optrok dan het voertuig links van hem, waardoor hij logisch rechts passeerde. Het hof oordeelde dat de uitzondering voor rechts inhalen in files alleen geldt buiten de bebouwde kom, wat hier niet het geval was.

De ambtenaar verklaarde dat er zes voertuigen voor hem waren en dat de betrokkene zigzaggend zowel links als rechts voertuigen had ingehaald. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het hof bevestigde dit oordeel. Ook was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding, wat het hof onderschreef.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De betrokkene kon niet aantonen dat de sanctie onterecht was of dat matiging op zijn plaats was. Het hof concludeerde dat de gedraging wel was verricht en dat de sanctie terecht was opgelegd.

Uitkomst: De boete van €240 voor rechts inhalen binnen de bebouwde kom wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.860/01
CJIB-nummer
: 235547270
Uitspraak d.d.
: 17 juli 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 juli 2023. Namens de betrokkene is verschenen
N. Rustenburg, kantoorgenoot van mr. Rissema. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door
[naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 augustus 2020 om 22:41 uur op de Pompenburg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat hij stond te wachten voor een verkeerslicht en dat de betrokkene, toen het verkeerslicht groen licht uitstraalde, sneller optrok dan het voertuig links van hem, zodat de betrokkene logischerwijs het voertuig rechts voorbij is gereden. Deze verklaring wordt volgens de gemachtigde ondersteund door de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht. Uit deze verklaring blijkt dat er tenminste zes voertuigen voor het voertuig van de ambtenaar aanwezig waren. Hoeveel voertuigen zich achter de ambtenaar bevonden, is onduidelijk. Niet uitgesloten kan worden dat ook achter de ambtenaar voertuigen aanwezig waren.
Naar de mening van de gemachtigde is er in een dergelijke situatie sprake van een file, zodat er rechts ingehaald mag worden. Hij verwijst daartoe naar een arrest van het hof Leeuwarden van
12 november 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AO0788. Een rij van tenminste zeven voertuigen is volgens de gemachtigde een file in de zin van deze jurisprudentie. Primair stelt hij dat de gedraging niet is verricht en subsidiair dat, indien de gedraging wel kan worden vastgesteld, de omstandigheden tot matiging nopen. Het zou niet van een verkeersdeelnemer kunnen en mogen worden verwacht om voor een groen verkeerslicht te blijven wachten totdat degene op de rijstrook links van hem eveneens is begonnen met optrekken.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Op genoemd datum/tijdstip reed ik, verbalisant over de Pompenbrug te Rotterdam. Ik reed, komende vanaf de Haagseveer en gaande in de richting van Goudse Rijweg te Rotterdam. Voor mij reden zes personenauto's. Drie personenauto's reden op de linker rijstrook en de drie andere personenauto's reden op de rechter rijstrook komende en gaande in dezelfde rijrichting die ik ook reed. Ik zelf reed op de rechter rijstrook. De personenauto die direct voor mij reed betrof de betrokkene (…). Op de kruising Pompenburg/Goudsesingel, in de richting van de Goudse Rijweg, stonden de verkeerslichten op rood. Zodoende stopten wij voor genoemd verkeerslicht om te wachten op groen licht. Toen het licht op groen ging en de motorvoertuigen voor mij gingen rijden, zag ik dat tussen de optrekkende motorvoertuigen een grotere tussenruimte ontstond. Ik zag dat betrokkene daar gebruik van maakte door met hoge snelheid accelererend met gebruikmaking van de linker en rechter rijstrook, links en rechts de voor hem op de rechter- en linkerrijstrook, rijdende motorvoertuigen in te halen. (…)
Reden geen staandehouding: ik was in burger gekleed en ik reed op een burger motorfiets. Ik zag zodoende geen mogelijkheid om betrokkene staande te houden."
5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990), waarin is bepaald dat inhalen links geschiedt. In artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990 is bepaald dat files aan de rechterzijde mogen worden ingehaald.
6. Het hof stelt vast dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er ten tijde en ter plaatse van de gedraging sprake was van optrekkende bewegingen voor een groen uitstralend verkeerslicht binnen de bebouwde kom. Het hof is van oordeel dat de verwijzing van de gemachtigde naar het in r.o. 2 genoemde arrest niet opgaat en wel reeds hierom, nu in dat arrest in r.o. 3.8 is overwogen dat de navolgende overwegingen omtrent het begrip file en de geoorloofdheid van rechts inhalen alleen betrekking hebben op situaties buiten de bebouwde kom. Het hof stelt voorts vast dat de betrokkene met gebruikmaking van de linker- en de rechterrijstrook links en rechts de voor hem rijdende voertuigen - zigzaggend zoals de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ter zitting naar voren heeft gebracht - heeft ingehaald. Onder de hierboven geschetste omstandigheden is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990.
7. De gemachtigde voert daarnaast opnieuw aan dat de vermelding in het zaakoverzicht waarom niet tot staandehouding is overgegaan, onvoldoende is als reden voor het niet staande houden van het voertuig en wijst daartoe op het arrest van 28 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9228.
8. De kantonrechter overweegt terecht dat voornoemde verklaring van de ambtenaar voldoende grond vormt voor het oordeel dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Van een vergelijkbare situatie in het door de gemachtigde aangehaalde arrest is geen sprake, nu in die zaak sprake was van andere verkeersomstandigheden en niet duidelijk was of de ambtenaar in een herkenbaar dienstvoertuig reed. Dat zich in dit geval een reële mogelijkheid heeft voorgedaan de bestuurder staande te houden is dus niet gebleken, zodat de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd.
9. Het hof dient vervolgens in het licht van hetgeen de gemachtigde verder naar voren heeft gebracht te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof ziet geen reden om bij dit rijgedrag daartoe over te gaan.
10. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.