Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:9228

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.304.178/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs staandehouding bestuurder

De betrokkene kreeg een sanctie van €140 opgelegd voor het niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg, vastgesteld op 19 mei 2020 op de Rijksweg A6 te Lelystad. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder omdat de ambtenaar de bestuurder niet staande hield, met als reden dat er geen stopmiddelen voorhanden waren.

De betrokkene voerde aan dat de ambtenaar wel een reële mogelijkheid had om de bestuurder staande te houden, gezien de rustige verkeerssituatie en nabijheid van een tankstation. De advocaat-generaal stelde dat zonder stopmiddelen geen reële mogelijkheid tot identificatie bestond, maar het hof oordeelde dat deze uitleg onjuist is.

Het hof stelde vast dat de omstandigheden ter plaatse en de aard van de gedraging geen contra-indicatie voor staandehouding boden. Omdat niet is gebleken of de ambtenaar in een herkenbaar politievoertuig reed, en het ontbreken van een aanvullend proces-verbaal, is de reden van de ambtenaar onvoldoende om te concluderen dat staandehouding onmogelijk was.

Daarom vernietigt het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, en verklaart het beroep van de betrokkene gegrond. De sanctie aan de kentekenhouder is ten onrechte opgelegd en wordt teruggenomen.

Uitkomst: De sanctiebeschikking aan de kentekenhouder wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat staandehouding onmogelijk was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.304.178/01
CJIB-nummer
: 233716302
Uitspraak d.d.
: 28 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 november 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of een autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 mei 2020 om 15:12 uur op de Rijksweg A6 in Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan hem als kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar geeft aan dat er geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat hij geen stopmiddelen voorhanden had. Dat is vreemd, aangezien het op dat moment niet druk was op de weg en er een tankstation in de buurt was. De ambtenaar had eenvoudig met een handgebaar aan kunnen geven dat de bestuurder van het voertuig hem moest volgen. In die situatie is een staandehouding verplicht, aldus de betrokkene.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
In het zaakoverzicht staat als reden dat niet is staande gehouden vermeld: "geen stopmiddelen voorhanden".
4. De advocaat-generaal stelt in het verweerschrift dat er bij het ontbreken van stopmiddelen in het voertuig van de ambtenaar volgens vaste jurisprudentie van het hof geen sprake is van een reële mogelijkheid tot het vaststellen van identiteit van de bestuurder.
5. Deze stelling van de advocaat-generaal berust op een onjuiste uitleg van de jurisprudentie
van het hof en vindt derhalve geen steun in het recht. In het geval kan worden vastgesteld dat
de ambtenaar geen stopmiddelen in zijn voertuig voorhanden heeft, zijn er in het kader van de beoordeling van de vraag of staandehouding mogelijk is, andere omstandigheden relevant. Het
hof wijst daarvoor naar de arresten van 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7147, en
18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4781, waarin mede betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat de ambtenaar zich ten tijde van het vaststellen van de gedraging in een als zodanig herkenbaar voertuig van de handhavende instantie bevond. Dat gegeven maakte in beide zaken dat, ondanks het ontbreken van stopmiddelen in het voertuig van de ambtenaar, staandehouding mogelijk was. Daarnaast komt betekenis toe aan de aard van de gedraging die door de ambtenaar wordt geconstateerd en in het bijzonder de omstandigheden ter plaatse na de vaststelling van de gedraging. Hiervoor wijst het hof op het arrest van 22 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7537. In die zaak bevond de ambtenaar zich in zijn eigen - niet van stopmiddelen voorziene - voertuig, maar bleek uit zijn verklaring dat hij zag dat de bestuurder van het voertuig moest stoppen voor een gesloten spoorwegovergang. Dat gegeven maakte dat staandehouding mogelijk was.
6. De gedraging in het onderhavige geval betreft het niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of een autosnelweg. De betrokkene geeft aan dat het niet druk was op de weg, terwijl de gedraging in de nabijheid van een tankstation is vastgesteld. Deze omstandigheden worden niet weersproken door de verklaring van de ambtenaar. Integendeel, de ambtenaar heeft in het zaakoverzicht gesteld dat de rijstrook die rechts naast de door de betrokkene gevolgde rijstrook was gelegen over een afstand van 756 meter geheel vrij was van verkeer. Dit betekent dat in de aard van de gedraging en de omstandigheden ter plaatse na de vaststelling van de gedraging, geen contra-indicatie voor staandehouding kan worden gevonden.
7. Voor de beoordeling of staandehouding mogelijk was in dit geval, is daarmee relevant of de ambtenaar al dan niet in een herkenbaar politievoertuig reed. Informatie op dat punt is niet voorhanden. Een aanvullend proces-verbaal, dat de advocaat-generaal, blijkens het verzoek om verlenging van de termijn daartoe, met het oog op het uitbrengen van het verweerschrift had opgevraagd, is niet aan het dossier toegevoegd.
8. Gelet op het vorenstaande is de door de ambtenaar gegeven reden onvoldoende voor de conclusie dat zich in dit geval geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan om de identiteit van de bestuurder van het voertuig vast stellen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 5 Wahv Pro door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.