ECLI:NL:GHARL:2023:6303

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juli 2023
Publicatiedatum
25 juli 2023
Zaaknummer
200.322.580
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BWArt. 3:301 lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep bij veroordeling tot medewerking verkoop woning en rechtsmiddelenregister

In deze civiele zaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland waarin appellant werd veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van een woning. De rechtbank bepaalde dat bij weigering van medewerking het vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekeningen voor verkoop en levering. Tevens werd een deelgenotenbeslag opgeheven en de verdeling van nalatenschappen vastgesteld.

Het hof heeft ambtshalve onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk is, gelet op de vereiste inschrijving in het rechtsmiddelenregister binnen acht dagen na het instellen van het hoger beroep, zoals voorgeschreven in artikel 3:301 lid 2 BW Pro. Appellant had deze inschrijving niet verricht.

Het hof oordeelt dat de beslissing van de rechtbank waarbij het vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekeningen een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro. Door het ontbreken van inschrijving in het rechtsmiddelenregister wordt appellant niet-ontvankelijk verklaard voor zover het hoger beroep zich richt tegen de beslissingen over medewerking aan verkoop, vervanging van handtekeningen en opheffing van beslag. Voor de overige beslissingen blijft appellant wel ontvankelijk. De zaak is verwezen naar een nieuwe roldatum voor memorie van grieven.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor beslissingen over medewerking verkoop woning wegens niet-inschrijving in het rechtsmiddelenregister.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.322.580
zaaknummer rechtbank Gelderland 400771
arrest van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en als verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.P. de Man
tegen
[geïntimeerde1]
Die woont in [woonplaats2]
en
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en als eiseressen in reconventie
hierna: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. M.A. de Vos-van der Eijk

1.Het geding in hoger beroep (vervolg)

1.1.
In rov. 3.1 van het tussenarrest van 23 mei 2023 is vermeld dat de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 (verkort weergegeven):
[appellant] heeft veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats1] (hierna: de woning) (rov. 8.1.),
heeft bepaald dat, in het geval [appellant] weigerachtig blijft die medewerking te verlenen, het vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekeningen van hem ten behoeve van de (opdracht tot) verkoop en levering van die woning (rov. 8.2.),
het door [appellant] gelegde deelgenotenbeslag heeft opgeheven (rov. 8.3.),
e verdeling van de nalatenschappen de ouders heeft bepaald (rov. 8.4.),
heeft bepaald dat aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als executeurs kwijting en decharge wordt verleend voor het gevoerde beheer over de nalatenschap van moeder (rov. 8.5.),
de kosten van de procedure gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 8.6.).
1.2.
[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 januari 2023 en vordert vernietiging daarvan. Hij vordert in hoger beroep onder meer dat het hof de woning laat taxeren en aan hem zal toedelen tegen de getaxeerde waarde.
1.3.
Het hof heeft – ambtshalve – overwogen dat hoger beroep tegen een uitspraak waarvan een rechter heeft bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van (een deel van) een akte die bestemd is tot levering van een registergoed binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister (artikel 3:301 lid 2 BW Pro).
Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag:
  • of de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro (vonnis vervangt een deel van de akte van levering);
  • of is voldaan aan de eis van artikel 3:301 lid 2 BW Pro;
  • tot welke gevolgen het ontbreken van inschrijving zou moeten leiden?
1.4.
[appellant] heeft zich bij akte daarover uitgelaten en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben daarop in een antwoordakte gereageerd.
1.5.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro. Deze beslissing van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank daarin (onder 8.2.) heeft bepaald dat – indien [appellant] niet (tijdig) meewerkt aan de verkoop en levering van de woning – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de akte van verkoop en de notariële akte van levering, namelijk van de in deze akten vereiste verklaringen van [appellant] en de ondertekening daarvan. Dat leidt het hof af uit de woorden
“benodigde handtekeningen”waarmee niets anders bedoeld kan zijn dan de handtekeningen van [appellant] in de onderhandse akte van verkoop van de woning en in de notariële akte van levering. Het woord ‘handtekening’ is hier niet anders te begrijpen dan een pars pro toto (een deel gebruikt voor het geheel) voor de notariële akte van levering. Dit deel van de beslissing (rov. 8.2. in het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2023) staat in onlosmakelijk verband met de veroordeling van [appellant] om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning en de opheffing van het deelgenotenbeslag (rov. 8.1. en 8.3.). De rechtbank heeft dus toepassing gegeven aan art. 3:300 lid 2 BW Pro.
1.6.
Vast staat dat [appellant] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof zal [appellant] dan ook op grond van art. 3:301 lid 2 BW Pro niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit zich richt tegen de beslissingen van de rechtbank in rov. 8.1., 8.2. en 8.3. Hij is wel ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de rov. 8.4. tot en met 8.8. Het hof zal de zaak verwijzen naar de roldatum 22 augustus 2023 voor memorie van grieven en houdt iedere verdere beslissing aan.

2.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 over de woning in rov. 8.1. en 8.2.;
verwijst de zaak naar de roldatum 22 augustus voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2023.