Belanghebbende kreeg in november 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 opgelegd, inclusief belastingrente. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag en belastingrente, en verzocht om ambtshalve vermindering. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de belastingrente niet-ontvankelijk en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de navorderingsaanslag gegrond, maar het beroep tegen het verzoek om ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. Het Hof oordeelde dat het bezwaar tegen de belastingrente niet mede zag op de aanslag, waardoor de bezwaarfase pas in juni 2020 begon. Het beroep tegen de belastingrente en navorderingsaanslag werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het verzoek om ambtshalve vermindering werd terecht afgewezen omdat het na de wettelijke termijn was ingediend en belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat het compromis onder dwang tot stand kwam.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en stelde de proceskosten van belanghebbende vast. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, behoudens de beslissingen over proceskosten en griffierecht.