ECLI:NL:GHARL:2023:6887

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 augustus 2023
Publicatiedatum
15 augustus 2023
Zaaknummer
200.329.313
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 384 lid 1 RvArt. 62b Wet ROArt. 46b Wet RO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijzing herroepingszaak naar ander gerechtshof

In deze herroepingszaak vordert P.C.D. Products B.V. en mede-eisers (PCD c.s.) de herroeping van een eerder arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. PCD c.s. verzoekt tevens om verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, onder meer vanwege een klacht bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad over de eerdere behandeling door dit hof.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 384 lid 1 Rv Pro de herroeping moet worden behandeld door het gerecht dat in laatste feitelijke instantie heeft geoordeeld, in dit geval het eigen hof. Hoewel PCD c.s. niet expliciet een beroep doet op artikel 62b Wet RO, behandelt het hof het verzoek tot verwijzing als zodanig. Dit artikel maakt verwijzing mogelijk bij betrokkenheid van het gerecht bij de zaak.

De gronden van PCD c.s. voor verwijzing zijn dat het hof hen onvoldoende gelegenheid zou hebben gegeven hun verhaal te doen en dat zij een klacht hebben ingediend bij de Procureur-Generaal. Het hof oordeelt dat dit geen aanleiding geeft voor verwijzing, omdat er geen sprake is van betrokkenheid van het hof bij de zaak.

Het hof wijst het verzoek tot verwijzing af, verwijst de zaak naar de rol voor de conclusie van antwoord door de bank en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijzing van de herroepingszaak naar een ander gerechtshof wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.329.313 (herroeping van 200.280.533)
(zaaknummer rechtbank 159198)
arrest van 15 augustus 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
P.C.D. Products B.V.,
gevestigd te Borne,
2.
[eiser2],
wonende te [woonplaats1] ,
3.
[eiser3],
wonende te [woonplaats2] ,
eisers in de procedure tot herroeping,
hierna gezamenlijk PCD c.s.,
advocaat: mr. M.M. de Jong,
tegen:
de naamloze vennootschap
ABN AMRO Bank N.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagden in de procedure tot herroeping,
hierna: de bank,
advocaat: mr. M. Huizenga.

1.Het verloop van de procedure in de herroepingszaak

Het hof heeft op 29 november 2022 eindarrest gewezen in de zaak tussen PCD c.s. en de bank. PCD c.s vordert in de dagvaarding van 26 april 2023 (met gronden) herroeping van dit arrest. Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte overlegging producties (1 tot en met 4) van PCD c.s.,
- de conclusie van antwoord in het incident.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2.De beoordeling

2.1
PCD c.s. heeft verzocht om de behandeling van deze zaak naar een ander hof te verwijzen in verband met een door hem ingediende klacht bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad over onder meer de eerdere behandeling bij dit hof. De bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot verwijzing.
2.2
Op grond van artikel 384 lid 1 Rv Pro wordt een vordering tot herroeping gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat is in dit geval dit hof.
2.3
Hoewel PCD c.s. zelf niet met zoveel woorden een beroep heeft gedaan op artikel 62b Wet RO, heeft de bank het verzoek tot verwijzing wel zo opgevat en zal het hof het ook zo behandelen. Verwijzing naar een ander gerecht op grond van artikel 62b Wet RO (en artikel 46b Wet RO) is mogelijk indien naar het oordeel van het verwijzend gerecht door betrokkenheid van het gerecht behandeling van de zaak door een ander gerecht gewenst is. Deze formulering omvat gevallen waarin een gerechtsmedewerker partij of betrokkene is bij de zaak, en maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld het gerecht zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft.
2.4
De gronden voor het verzoek tot verwijzing naar een ander hof komen erop neer dat PCD c.s. vindt dat het hof op de mondelinge behandeling PCD c.s. onvoldoende in staat heeft gesteld zijn verhaal te doen; PCD c.s. heeft ook op 20 april 2023 een klacht tegen (onder meer) het hof bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad ingediend.
Dit maakt echter niet dat daardoor sprake is van betrokkenheid van dit hof bij de zaak. Het hof ziet daarom geen aanleiding om deze zaak te verwijzen naar een ander hof.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
3.1
wijst het verzoek tot verwijzing naar een ander hof af;
3.2
verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door de bank in de herroepingszaak,
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2023.