AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens door rood licht rijden
De betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het negeren van een rood verkeerslicht op 23 december 2019. Hij ontkende de overtreding en stelde dat hij door oranje reed. Tevens klaagde hij dat zijn getuige, die achterop zijn scooter zat, ten onrechte niet werd gehoord door de kantonrechter.
De kantonrechter wees het verzoek om de getuige te horen af, waarop de betrokkene hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat de kantonrechter voldoende gelegenheid had geboden om de getuige mee te nemen en dat het niet horen van de getuige geen gebrek aan de beslissing opleverde. Het hof verwierp ook het verzoek tot het horen van de ambtenaar als getuige, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
Het hof constateerde dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden en matigde daarom de boete met 25%. Tevens werd een reiskostenvergoeding toegekend voor de zittingen bij de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het bedrag van de sanctie vastgesteld op €180,-. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de reiskosten van €26,28.
Uitkomst: De boete wegens door rood licht rijden wordt gematigd tot €180,- en reiskostenvergoeding toegekend.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.310.518/01
CJIB-nummer
: 230715795
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 31 mei 2023 wordt hier overgenomen.
Het verdere verloop van de procedure
De zaak is behandeld op de zitting van 3 augustus 2023. De betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. In een e-mailbericht op de dag van de zitting, 3 augustus 2023, heeft de betrokkene om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht. Hij geeft aan dat hij, zoals telefonisch aangegeven, niet aanwezig kan zijn en dat de zaak vervolgd kan worden wanneer hij weer in Nederland is.
2. Het telefoongesprek waarnaar de betrokkene verwijst is bij de griffie van het hof niet bekend. In het e-mailbericht heeft de betrokkene niet aangegeven waarom hij niet ter zitting kan verschijnen. Dat de zaak kan worden vervolgd wanneer de betrokkene weer in Nederland is, zegt niets over de reden van verhindering op 3 augustus 2023. Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat de betrokkene reeds bij tussenarrest van 31 mei 2023 op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum, ziet het hof geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden. Het aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3. Zoals in het tussenarrest is overwogen is aan de betrokkene bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 december 2019 om 17:50 uur op de Overtoom in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De betrokkene ontkent de gedraging. Hij reed niet door rood, maar door oranje (het hof begrijpt: geel). De betrokkene is van mening dat zijn getuige – die achterop de scooter van de betrokkene zat ten tijde van de gedraging – bij de zittingen van de kantonrechter ten onrechte niet is gehoord. Zij heeft waargenomen wat is gebeurd, haar verklaring kan doorslaggevend zijn. Zij was beschikbaar om te worden gehoord door de kantonrechter maar deze is hieraan voorbij gegaan.
De betrokkene is verder van mening dat de ambtenaar ter zitting moet worden gehoord. Dat vloeit voort uit de Keskin-jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM). De zaak draait om het woord van de ambtenaar tegen dat van de betrokkene.
Het horen van de ambtenaar is nog relevanter nu hij in het aanvullend proces-verbaal reageert op stukken uit het dossier. Dit maakt de ambtenaar volgens de betrokkene meer een verdediger van zijn eigen standpunt in plaats van een getuige. Het arrest van het hof van 14 april 2023 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:3210) miskent waartoe het Keskin-arrest verplicht. De betrokkene is van mening dat het hof prejudiciële vragen moet stellen aan het EHRM over het horen van de ambtenaar ter zitting in Wahv-zaken.
Tot slot heeft de betrokkene betoogd dat hij een procesafspraak wil maken met de advocaat-generaal. Hij is bereid overal afstand van te doen als hij een maximale boete krijgt van € 10,- en een reiskostenvergoeding.
5. Met betrekking tot dit laatste stelt het hof vast dat de advocaat-generaal geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de inleidende beschikking te vernietigen of te wijzigen. Dit betekent dat aan deze procedure de bij inleidende beschikking opgelegde sanctie ten grondslag ligt en het hoger beroep niet als ingetrokken kan worden beschouwd.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat betrokkene ongeveer 2 meter verwijderd was van het verkeerslicht op het moment dat dit rood licht ging stralen. Betrokkene negeerde dit verkeerslicht en vervolgde zijn weg.”
8. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 5 februari 2021. Hierin verklaart de ambtenaar – voor zover hier relevant – het volgende: “Het klopt dat de overtreding ook is waargenomen door mijn collega’s in de politieauto, echter heb ik zelf ook de waarneming van het negeren van het rode verkeerslicht gedaan. Nadat ik zag dat de betrokkene het rode verkeerslicht negeerde, volgde ik hem kort en gaf hem een stopteken. (…) Ik had vrij zicht op het verkeerslicht voor de betrokkene en de gedraging van de betrokkene. Ik heb geen twijfel over mijn waarneming van de gepleegde overtreding.”
9. Ten aanzien van de klacht dat de kantonrechter de getuige van de betrokkene niet op de zitting heeft gehoord, merkt het hof het volgende op. Artikel 12, derde lid, van de Wahv bepaalt dat ter zitting getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht teneinde door de kantonrechter te worden gehoord.
10. De zaak is inhoudelijk behandeld door de kantonrechter op 8 januari 2021. De betrokkene is daar verschenen. Uit het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de betrokkene heeft opgemerkt dat zijn vriendin ten tijde van de gedraging achterop het voertuig van de betrokkene zat en dat zij wil getuigen. Of de betrokkene zijn vriendin had meegenomen om als getuige te worden gehoord blijkt niet uit het proces-verbaal. Volgens de betrokkene had hij haar wel meegenomen.
De kantonrechter heeft ter zitting geen getuige gehoord maar de behandeling van de zaak aangehouden om de ambtenaar in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal op te maken waarin wordt ingegaan op hetgeen de betrokkene naar voren heeft gebracht.
11. De behandeling van de zaak is vervolgens ter zitting van 12 augustus 2021 aangehouden op verzoek van de betrokkene, omdat hij in het buitenland verbleef.
12. Daarop is de zaak behandeld op 2 september 2021. De betrokkene is daar verschenen. Uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de betrokkene daar heeft opgemerkt dat zijn vriendin een getuigenverklaring wilde afleggen maar dat daarvoor de vorige keer (het hof begrijpt: ter zitting van 8 januari 2021) geen tijd voor was. Nu (het hof begrijpt: ter zitting van
2 september 2021) heeft de betrokkene zijn vriendin niet meegenomen omdat het hem niet handig leek om haar dit keer weer mee te nemen terwijl op voorhand niet duidelijk is of dat zin heeft. Daarop heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd maar maximaal 3 maanden om de betrokkene in de gelegenheid te stellen de volgende keer een getuige mee te nemen naar de zitting.
13. Vervolgens is de betrokkene opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op
1 april 2022. In die oproeping is, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Wahv, aangegeven dat de betrokkene getuigen en/of deskundigen ter zitting mag meenemen. De betrokkene is ter zitting verschenen. Daar heeft hij, blijkens het opgemaakte proces-verbaal, gevraagd of de getuige telefonisch kan worden gehoord omdat zij in het buitenland verblijft en zij niet fysiek aanwezig kan zijn ter zitting. De kantonrechter heeft dit verzoek vervolgens afgewezen en, bij de bestreden beslissing, op het beroep beslist.
14. Het hof stelt voorop dat, zo vloeit voort uit artikel 12, derde lid, van de Wahv, getuigen ter zitting worden gehoord. Daartoe kunnen deze worden meegenomen. De betrokkene heeft dat ter zitting van 1 april 2022 niet gedaan. De kantonrechter is niet gehouden om niet meegebrachte getuigen via een telefonische verbinding te horen. In aanmerking genomen dat de betrokkene sinds de zitting van 8 januari 2021 voldoende gelegenheid is geboden om zijn vriendin als getuige mee te nemen ter zitting om te worden gehoord, kan niet worden geoordeeld dat de kantonrechter de betrokkene die gelegenheid nog eens had moeten bieden. In dit opzicht kleeft geen gebrek aan de beslissing van de kantonrechter. Deze grond faalt.
15. De betrokkene is verschenen ter zitting van het hof op 17 mei 2023. Ondanks de aankondiging dat zijn vriendin ter zitting zou verschijnen om daar als getuige te worden gehoord, is zij niet verschenen. Op verzoek van de betrokkene is vervolgens de behandeling van de zaak, bij tussenarrest van 31 mei 2023, aangehouden tot 3 augustus 2023, om 13.00 uur, teneinde de betrokkene nog één keer in de gelegenheid te stellen zijn vriendin mee te nemen ter zitting om als getuige te worden gehoord.
16. De getuige is op 3 augustus 2023 niet ter zitting van het hof verschenen, evenmin als de betrokkene. De reden waarom de getuige niet kon verschijnen is niet toegelicht.
17. De betrokkene is diverse malen in de gelegenheid gesteld om zijn vriendin als getuige ter zitting te doen horen, zowel op de zittingen bij de kantonrechter als bij het hof. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene hiermee voldoende gelegenheid geboden en krijgt de betrokkene niet nogmaals de gelegenheid daartoe. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene op de zitting van het hof van 17 mei 2023 heeft aangegeven dat de getuige inmiddels zijn ex-vriendin is en hij al langere tijd geen contact meer met haar heeft gehad.
18. Met betrekking tot het ten onrechte niet horen van de ambtenaar, nu volgens de betrokkene hij daar recht op heeft op grond van de Keskin-jurisprudentie, overweegt het hof als volgt. In het hierboven genoemde arrest van het hof van 14 april 2023 heeft het hof overwogen dat het recht op een eerlijk proces (artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: EVRM) zich weliswaar ook uitstrekt tot de Wet Mulder nu sprake is van een ‘criminal charge’, maar dat de uit het artikel voortvloeiende waarborgen in deze procedure niet altijd ten volle gelden. De betrokkene dient behoorlijk de gelegenheid te hebben om belastend bewijs, waaronder onder andere verklaringen van ambtenaren, te betwisten en in twijfel te trekken en onder omstandigheden kunnen beroepsgronden de rechter dan aanleiding geven de ambtenaar op de zitting te horen. Dit betekent echter niet een onverkort recht op het horen van de ambtenaar in iedere Mulderprocedure. Het (legitieme) belang van de staat om lichte verkeersovertredingen efficiënt en doelmatig te handhaven, zou met zo’n onbeperkt recht op het horen van getuigen op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. In plaats daarvan kan de rechter, wanneer de beroepsgronden daar aanleiding toe geven, schriftelijk vragen voorleggen aan de ambtenaar. Daarmee zal de inperking van het recht om de ambtenaar te horen in regel voldoende zijn gecompenseerd, waardoor de ‘procedure in zijn geheel’ kan worden aangemerkt als een eerlijk proces in de zin van artikel 6 vanPro het EVRM. Schiet de beantwoording tekort, dan kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht, zoals het vernietigen van de sanctiebeschikking of het alsnog op de zitting horen van de getuige.
19. De betrokkene heeft weliswaar gesteld dat het hof met dit arrest geen juiste invulling heeft gegeven aan de Keskin-jurisprudentie van het EHRM maar heeft daarvoor geen argumenten gegeven. Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn arrest van 14 april 2023. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat het hof prejudiciële vragen dient te stellen aan het EHRM overweegt het hof dat het daartoe niet bevoegd is. Het hof is niet in overeenstemming met artikel 10 vanPro protocol nr. 16 bij het EVRM aangewezen als hoogste rechterlijke instantie in de zin van artikel 1, eerste lid, van dat protocol die zodanige vragen kan stellen.
20. Het hof stelt vast dat de betrokkene behoorlijk in de gelegenheid is gesteld om de verklaringen van de ambtenaar te betwisten en in twijfel te trekken, zowel in de beroepschriften als op de zittingen bij de kantonrechter en bij het hof. De ambtenaar heeft naar aanleiding van vragen van de betrokkene een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Er is niet gebleken dat er nog vragen resteren die door de ambtenaar moeten worden beantwoord. De ‘procedure’ in zijn geheel’ kan dan ook worden aangemerkt als een eerlijk proces in de zin van artikel 6 vanPro het EVRM. Gelet op het voorgaande acht het hof het ook niet noodzakelijk de ambtenaar als getuige te horen op een zitting van het hof.
21. De betrokkene ontkent de gedraging, maar geeft hiervoor onvoldoende argumenten. De ambtenaar verklaart dat hij heeft gezien dat de betrokkene het rode verkeerslicht negeerde en dezelfde ambtenaar heeft de betrokkene vervolgens staandegehouden. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop treft ook deze grond geen doel.
22. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is onderhavige sanctie op 23 december 2019, ter gelegenheid van de staandehouding, aangezegd. De procedure in eerste aanleg is eerst met de beslissing van de kantonechter van 1 april 2022 geëindigd. Een deel van deze termijn, te weten de periode van
12 augustus 2021 tot 2 december 2021, valt weliswaar toe te rekenen aan de betrokkene nu op zijn verzoek de behandeling van de zaak door de kantonrechter is aangehouden, maar ook indien de redelijke termijn van berechting met deze periode wordt verlengd, moet worden vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 juli 2023, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369, zal het hof het bedrag van de sanctie daarom matigen met 25 %.
23. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van reiskosten. Uit voormeld arrest (vgl. ov. 22) vloeit voort dat de reiskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden nu voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de betrokkene een reiskostenvergoeding wordt toegekend voor het bijwonen van de zittingen (op 8 januari 2021,
2 september 2021 en 1 april 2022) bij de kantonrechter. De reiskosten worden op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vergoed op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Dit is € 26,28, namelijk per bus/trein van de woonadressen van de betrokkene in [woonplaats] naar Den Haag en weer terug (= 3 x € 8,76).
24. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd in die zin dat het bedrag van de bij die beschikking opgelegde sanctie wordt bepaald op € 180,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 vanPro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de reiskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 26,28.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.