Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
Het tussenarrest
Het verdere verloop van de procedure
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
Met betrekking tot dit laatste stelt het hof vast dat de advocaat-generaal geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de inleidende beschikking te vernietigen of te wijzigen. Dit betekent dat aan deze procedure de bij inleidende beschikking opgelegde sanctie ten grondslag ligt en het hoger beroep niet als ingetrokken kan worden beschouwd.
“Het klopt dat de overtreding ook is waargenomen door mijn collega’s in de politieauto, echter heb ik zelf ook de waarneming van het negeren van het rode verkeerslicht gedaan. Nadat ik zag dat de betrokkene het rode verkeerslicht negeerde, volgde ik hem kort en gaf hem een stopteken. (…) Ik had vrij zicht op het verkeerslicht voor de betrokkene en de gedraging van de betrokkene. Ik heb geen twijfel over mijn waarneming van de gepleegde overtreding.”
Met betrekking tot het ten onrechte niet horen van de ambtenaar, nu volgens de betrokkene hij daar recht op heeft op grond van de Keskin-jurisprudentie, overweegt het hof als volgt. In het hierboven genoemde arrest van het hof van 14 april 2023 heeft het hof overwogen dat het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: EVRM) zich weliswaar ook uitstrekt tot de Wet Mulder nu sprake is van een ‘criminal charge’, maar dat de uit het artikel voortvloeiende waarborgen in deze procedure niet altijd ten volle gelden. De betrokkene dient behoorlijk de gelegenheid te hebben om belastend bewijs, waaronder onder andere verklaringen van ambtenaren, te betwisten en in twijfel te trekken en onder omstandigheden kunnen beroepsgronden de rechter dan aanleiding geven de ambtenaar op de zitting te horen. Dit betekent echter niet een onverkort recht op het horen van de ambtenaar in iedere Mulderprocedure. Het (legitieme) belang van de staat om lichte verkeersovertredingen efficiënt en doelmatig te handhaven, zou met zo’n onbeperkt recht op het horen van getuigen op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. In plaats daarvan kan de rechter, wanneer de beroepsgronden daar aanleiding toe geven, schriftelijk vragen voorleggen aan de ambtenaar. Daarmee zal de inperking van het recht om de ambtenaar te horen in regel voldoende zijn gecompenseerd, waardoor de ‘procedure in zijn geheel’ kan worden aangemerkt als een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. Schiet de beantwoording tekort, dan kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht, zoals het vernietigen van de sanctiebeschikking of het alsnog op de zitting horen van de getuige.