De veroordeelde is sinds 21 mei 2021 geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders. Hij heeft een complex psychiatrisch beeld met dwangmatige symptomen, achterdocht, incoherente gedachtegang en waanachtige denkbeelden. Ondanks medicatieadviezen is er weinig vooruitgang geboekt, mede door beperkte medewerking van de veroordeelde.
De veroordeelde verzocht om tussentijdse beëindiging van de maatregel, stellende dat de behandeling niet van de grond komt en dat zijn verblijfsstatus hem belemmert in het verkrijgen van een woning, werk en maatschappelijke begeleiding. Het openbaar ministerie stelde dat beëindiging zou leiden tot onveiligheid en overlast, en benadrukte de noodzaak van voortzetting ter bescherming van de maatschappij.
Het hof oordeelt dat de rechtbank Rotterdam terecht de voortzetting van de maatregel heeft bevolen. De combinatie van psychiatrische problematiek en vreemdelingenstatus beperkt de mogelijkheden van de veroordeelde om een normaal leven op te bouwen, waardoor het recidiverisico blijft bestaan. Voortzetting van de maatregel is noodzakelijk en zinvol, mede omdat de veroordeelde onvoldoende meewerkt aan behandeling en medicatie.
De beslissing van de rechtbank wordt bevestigd met een aanvulling van gronden, waarbij het hof benadrukt dat opheffing van de maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid, overlast en verloedering van het publieke domein.