Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2017 in Marokko gehuwd en hebben een minderjarige dochter. De man heeft in juni 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht van de woning aan de man toegekend. De vrouw is tegen deze beslissingen in hoger beroep gekomen.
Het hof oordeelt dat de echtscheidingsbeschikking ten onrechte is ingeschreven omdat deze nog niet in kracht van gewijsde is gegaan door het tijdig hoger beroep van de vrouw. De echtscheiding is echter niet betwist en het huwelijk is duurzaam ontwricht. Het hof bekrachtigt daarom de echtscheiding.
Met betrekking tot het huurrecht weegt het hof het belang van de man zwaarder, mede vanwege zijn fulltime baan en draagkracht, terwijl de vrouw geen alternatieve woonruimte heeft maar ook geen werk heeft. Het belang van het kind weegt onvoldoende om het huurrecht aan de vrouw toe te kennen. De man hoeft geen vergoeding voor woonlasten van de vrouw te ontvangen, omdat de wettelijke zorgplicht tijdens het huwelijk geldt en de vrouw geen inkomen of vermogen heeft.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Verzoeken van de vrouw en de man worden afgewezen waar deze afwijken van de bestreden beschikking.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding en wijst het huurrecht van de woning toe aan de man zonder vergoeding van woonlasten door de vrouw.