ECLI:NL:HR:2004:AO1991
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid moeder in cassatie over spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een verzoek van Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland om een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 11 mei 2000 onder toezicht stond van de stichting. De kinderrechter verleende op 7 februari 2003 een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde machtiging voor plaatsing in pleegzorg voor drie maanden. De moeder was niet aanwezig bij de zitting vanwege de zeer korte oproepingstermijn, maar haar advocaat was aanwezig en voerde verweer tegen de procedure.
De moeder stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de procedure in strijd was met de artikelen 6 en 8 EVRM vanwege de gebrekkige oproeping en het ontbreken van effectieve participatie. Het hof bekrachtigde de beschikking en oordeelde dat het verzuim in eerste aanleg was hersteld doordat de moeder en haar partner in hoger beroep wel gelegenheid hadden gekregen hun standpunten toe te lichten.
De Hoge Raad verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in cassatie omdat de machtiging inmiddels was verlopen en zij geen belang meer had bij het beroep. De Hoge Raad overwoog dat de oproeping in eerste aanleg niet behoorlijk was vanwege de korte termijn, maar dat dit gebrek niet tot verval van de beschikking leidde omdat de moeder niet binnen twee weken na de beschikking opnieuw was opgeroepen. Het hof had terecht geoordeeld dat het gebrek in hoger beroep was hersteld, zodat geen schending van de artikelen 6 en 8 EVRM had plaatsgevonden. De beschikking bleef daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van haar kind.