De heffingsambtenaar van de gemeente Waadhoeke stelde de WOZ-waarde van een vrijstaande woning aan de [adres1] 29 te [woonplaats] per waardepeildatum 1 januari 2020 vast op €199.000. Belanghebbende was het niet eens met deze vaststelling en stelde een lagere waarde van €176.000 voor. Na een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de juiste waardebepaling van de woning, waarbij de heffingsambtenaar een taxatierapport overlegde met vergelijkingsobjecten en een waarderingsmatrix. Belanghebbende voerde aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met het afnemend grensnut bij een grotere woninginhoud en met verschillen in bouwjaar tussen de woning en referentieobjecten.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk had gemaakt hoe de waarde was vastgesteld, inclusief correcties voor grootte, doelmatigheid en onderhoud. Ook het referentieobject uit 1964 maakte aannemelijk dat rekening was gehouden met bouwjaarverschillen. De bewijslast lag bij de heffingsambtenaar en deze was naar het oordeel van het hof voldoende voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige belastingkamer van het hof op 12 september 2023.