In deze civiele zaak stond de aansprakelijkheid van de gemeente Súdwest-Fryslân centraal voor schade geleden door Arriva Personenvervoer Nederland B.V. na een ongeval waarbij een bus tegen een vangrailconstructie reed. Het hof liet een deskundige onderzoek doen naar de vangrail en de verkeersveiligheid ter plaatse.
De deskundige concludeerde dat de vangrailconstructie gebrekkig was omdat deze niet voldeed aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld, mede door een onvoldoende afstand tot de rijbaan, het ontbreken van een terminal die botsenergie absorbeert, en het feit dat de constructie voertuigen op een rooster ‘trechtert’. De gemeente voerde verweer, maar kon de bevindingen van de deskundige niet overtuigend weerleggen.
Het hof stelde vast dat de lichte stuurfout van de chauffeuse niet voldoende was om eigen schuld aan te nemen, omdat dergelijke fouten tot de verkeersrealiteit behoren. De schade aan de bus werd bevestigd door een expertiserapport en de omvang daarvan werd niet gemotiveerd betwist. Het hof kende ook stilstandschade en een deel van de buitengerechtelijke kosten toe.
Het hoger beroep van de gemeente werd afgewezen, het incidenteel hoger beroep van Arriva toegewezen, en de gemeente werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, incassokosten en proceskosten. Het arrest werd op 26 september 2023 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.