Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden van een opvolgend bewindvoerder. De oorspronkelijke bewindvoerder werd op eigen verzoek ontslagen vanwege gezondheidsredenen en naderende pensioengerechtigde leeftijd. De opvolgend bewindvoerder, [verzoekster] B.V., werd benoemd en verzocht om een vergoeding voor haar aanvangswerkzaamheden.
De kantonrechter wees dit verzoek af, stellende dat in het geval van ontslag op eigen verzoek geen vergoeding voor aanvangswerkzaamheden aan de opvolgend bewindvoerder toekomt. [Verzoekster] ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat op grond van artikel 3 lid 5 van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren ook een opvolgend bewindvoerder aanspraak kan maken op een dergelijke vergoeding.
Het hof overwoog dat de Regeling een forfaitair systeem hanteert met als doel administratieve vereenvoudiging en adequate beloning. De Hoge Raad heeft recentelijk bevestigd dat ook een opvolgend bewindvoerder recht heeft op vergoeding van aanvangswerkzaamheden, ongeacht de reden van opvolging of wie het ontslag heeft verzocht.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking en bepaalde dat [verzoekster] recht heeft op 50% van de forfaitaire vergoeding van € 586,-, oftewel € 293,-. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De opvolgend bewindvoerder krijgt recht op een vergoeding van 50% van de forfaitaire aanvangswerkzaamhedenvergoeding.