In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De reden hiervoor was dat geen geldige machtiging was overgelegd waaruit bleek dat de gemachtigde bevoegd was om namens de betrokkene op te treden.
De betrokkene, vertegenwoordigd door M. Lagas, stelde dat de kantonrechter buiten de omvang van het geding was getreden door ambtshalve de machtiging te toetsen. Het hof oordeelde echter dat op grond van de Wahv en de Algemene wet bestuursrecht een schriftelijke machtiging vereist is wanneer een ander dan de betrokkene beroep instelt. Omdat de machtiging niet toereikend was en het verzuim niet werd hersteld, kon de gemachtigde niet als zodanig worden beschouwd.
Het hof stelde tevens ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, aangezien de procedure van de inleidende beschikking op 9 juli 2020 tot de beslissing van de kantonrechter op 16 december 2022 duurde. Deze termijnoverschrijding leidde echter niet tot matiging van het sanctiebedrag omdat de kantonrechter de sanctie niet heeft kunnen beoordelen.
Uiteindelijk bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt geen inhoudelijke beoordeling van de sanctie gegeven.