ECLI:NL:GHARL:2023:8589

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 oktober 2023
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.322.301/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Lagas
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:24 AwbArt. 8:69 AwbArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging bij Wahv-procedure

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De reden hiervoor was dat geen geldige machtiging was overgelegd waaruit bleek dat de gemachtigde bevoegd was om namens de betrokkene op te treden.

De betrokkene, vertegenwoordigd door M. Lagas, stelde dat de kantonrechter buiten de omvang van het geding was getreden door ambtshalve de machtiging te toetsen. Het hof oordeelde echter dat op grond van de Wahv en de Algemene wet bestuursrecht een schriftelijke machtiging vereist is wanneer een ander dan de betrokkene beroep instelt. Omdat de machtiging niet toereikend was en het verzuim niet werd hersteld, kon de gemachtigde niet als zodanig worden beschouwd.

Het hof stelde tevens ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, aangezien de procedure van de inleidende beschikking op 9 juli 2020 tot de beslissing van de kantonrechter op 16 december 2022 duurde. Deze termijnoverschrijding leidde echter niet tot matiging van het sanctiebedrag omdat de kantonrechter de sanctie niet heeft kunnen beoordelen.

Uiteindelijk bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt geen inhoudelijke beoordeling van de sanctie gegeven.

Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van een toereikende machtiging en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.322.301/01
CJIB-nummer
: 234612597
Uitspraak d.d.
: 13 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2022, betreffende

mr. M. Lagas,

kantoorhoudende te Amsterdam,
beweerdelijk optredende namens

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. M. Lagas (hierna: Lagas) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard, omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat Lagas gemachtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen.
2. Lagas voert aan dat de vraag of een gemachtigde als zodanig kan worden aangemerkt geen kwestie van openbare orde betreft en om die reden niet ambtshalve dient te worden getoetst. Dit betekent dat de kantonrechter buiten de omvang van het geding is getreden (vgl. art. 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Lagas verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 4 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5647 en verzoekt het hof de beslissing van de kantonrechter te vernietigen en tot een inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan.
3. Het hof stelt vast dat de inleidende beschikking is gericht aan de betrokkene, [de betrokkene] B.V. Op 27 juli 2020 is administratief beroep ingesteld door Lagas. Het administratief beroep is door de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is door Lagas beroep ingesteld bij de kantonrechter.
4. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wahv kan tegen de beslissing van de officier van justitie beroep worden ingesteld door degene die administratief beroep heeft ingesteld. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de rechter naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van degene die het heeft ingesteld, in dit geval Lagas, een schriftelijke machtiging verlangen.
5. Bij het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is een machtiging van
[naam1] aan [naam2] B.V. gevoegd. Uit deze machtiging blijkt niet dat [naam1] door de betrokkene is gemachtigd om beroep in te stellen. De kantonrechter heeft de beweerdelijk gemachtigde daarom in de (tussen)beslissing van 25 augustus 2022 in de gelegenheid gesteld
om, binnen vier weken na verzending van deze beslissing alsnog een toereikende machtiging naar de rechtbank te sturen. In de beslissing is vermeld dat indien het verzuim niet wordt hersteld, de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
6. Het hof stelt vast dat Lagas het door de kantonrechter geconstateerde verzuim niet heeft hersteld. Nu Lagas geen toereikende machtiging heeft overgelegd, kan hij niet als gemachtigde van de betrokkene worden beschouwd.
7. Anders dan in het arrest waar Lagas naar verwijst, heeft de kantonrechter hier het beroep bij de officier van justitie tegen de inleidende beschikking niet (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard.
8. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
9. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 9 juli 2020 aan de betrokkene toegezonden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 16 december 2022. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval niet tot matiging, nu de kantonrechter niet is toegekomen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moeten worden opgelegd (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dat betekent dat het hof hier niet tot matiging van het sanctiebedrag kan overgaan maar zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.