De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn jong meerderjarige zoon. De man had verzocht zijn alimentatieverplichting met ingang van 2015 tot nihil te stellen, terwijl de zoon een hogere bijdrage vorderde dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 25 per maand.
Het hof overwoog dat het bij de draagkrachtbepaling niet alleen aankomt op het daadwerkelijk inkomen, maar ook op het inkomen dat redelijkerwijs kan worden verdiend. Hoewel de man gezondheidsklachten heeft en zijn arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, oordeelde het hof dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies omdat de man onvoldoende zijn verdiencapaciteit heeft benut en te lang is doorgegaan met zijn onderneming. Daarom werd geen rekening gehouden met het inkomensverlies.
Het hof stelde het fictieve inkomen vast op basis van het laatst verdiende salaris, rekening houdend met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Vervolgens werd de draagkracht berekend volgens een formule waarbij 70% van het inkomen boven een draagkrachtloos bedrag beschikbaar is voor alimentatie. Het hof hield tevens rekening met het feit dat de man niet onder 95% van de bijstandsnorm mag zakken, waardoor het bedrag werd vastgesteld op € 233,65 per maand.
De eerdere beslissing van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep deels toegewezen. De man moet vanaf 4 november 2022 deze maandelijkse bijdrage betalen, met behoud van de overige voorwaarden uit de eerdere beschikking.